Eindelijk is het dan zover: Ik ga de scholen bezoeken. Ik begin in Ambovombe en zal daarna verder westwaarts, richting het afgelegen Beloha en Tshiombe trekken. De week erna reis ik terug naar Ambovombe om van daaruit langs de Oostkust verder Noordwaarts naar Manantenina te reizen. Ik zal in drie weken een paar honderd kilometer afleggen en zo’n 20 scholen bezoeken.
Ik ben benieuwd of ik er aan de hand van mijn vragenlijsten in zal slagen een beter beeld te krijgen van het functioneren van de schoolkantines. Ik hoop door middel van de interviews te achterhalen welke kennis er nog ontbreekt, zodat ik weet wat ik moet benadrukken in de communication tools. Wel spannend, want ik heb geen enkele ervaring met dit soort onderzoeken. Verder ben ik in mijn eentje verantwoordelijk voor het hele proces, van het inwinnen van de informatie door middel van de interviews, tot het ontwikkelen en laten drukken van de uiteindelijke communication tools (in de vorm van geplastifieerde posters en manuels). Ik zal me in ieder geval niet vervelen tot eind maart. En...als alles volgens plan verloopt kan ik nog voor vertrek de aftrap geven voor het drukken van de 2000 (!) posters. Een ding is duidelijk, ik hoef hier niet alleen maar te kopieren of koffie te zetten :)
woensdag 17 december 2008
woensdag 10 december 2008
zondag 7 december 2008
zaterdag 6 december 2008
On va bouger bouger!
Na een lange, drukke en vooral bloedhete eerste dag at suboffice Ambovombe (ik moet immers als een speer mijn questionnaires afmaken aangezien ik maandag al de eerste scholen ga bezoeken) ben ik wel toe aan wat ontspanning. En ik val meteen met mijn neus in de boter: Het jaarlijkse 3-daagse muziekfestival valt precies in mijn eerste weekend. Op het dorpsplein (of meer dorpsveld), niet ver van het kantoor, is een groot podium geplaatst. Aan weerszijden van het grote gevaarte heeft half ondernemend Ambovombe houten eettentjes en barretjes in elkaar getimmerd. Ook al stellen de bouwwerken niet veel voor, aan de aankleding is veel aandacht besteed: Gekleurde tafelkleedjes, slingers van plastic bloemen, papieren vlaggetjes... Het doet me een beetje aan de tropische versie van Lowlands denken. Het is duidelijk dat het hier vanavond allemaal gaat gebeuren.
Nadat ik en Anna (mijn Finse collega en huisgenoot) onze party-oufits uit de kast hebben getrokken (in de bush wonen is natuurlijk geen excuus om er belabberd bij te lopen) gaan we op pad. Het is al donker, maar de maan verlicht het zanderige paadje richting het centrum. We volgen de muziek, het feest is al begonnen!
De avond- en nacht- die erop volgt is geweldig: We smullen van al het lekkers dat in de barretjes verkocht wordt (het kan me even niks schelen dat we er misschien ziek van worden), verbazen ons over de traditionele strijdersdansen die opgevoerd worden, drinken (natuurlijk) rum-cola en dansen tot we niet meer kunnen. De locals om ons heen blijven eerst argwanend op een afstandje en bestuderen wat lacherig onze Europese -niet al te professionele- danstechnieken. Een aantal van hen staart ons zelfs met open mond aan, kennelijk ben ik niet de enige die vanavond nieuwe dingen ziet ;-)
Al snel gaan we echter op in de dansende menigte en proberen een paar jongeren ons zelfs de typische Androy-dans te leren (wat natuurlijk onbegonnen werk is).
Na mijn niet zo positieve ervaring met het Oktoberfest in Tana is het festival een Ambovombe een verademing. Iedereen is zo rustig en beleefd. Niemand probeert zich naar voren te dringen, geen geduw en getrek. Geen ruzies, geen vechtpartijen. Mensen respecteren elkaar en elkaars ruimte. En toch doet dat niks af aan de uitgelaten sfeer. Helemaal vooraan blijven de mensen- vreemd genoeg – op zo’n twee meter afstand van het podium. Waarom komt er niemand dichterbij? Het is een prima plek om wat foto’s te maken. En dat doe ik dan ook. Nog geen twee minuten later deinst de hele groep feestgangers achter me ineens terug. Ik kijk om en zie drie politie-agenten iedereen die de onzichtbare lijn over is gegaan met een stok terug de menigte in slaan. Ook de paar kinderen, die samen met mij naar voren zijn gelopen, krijgen rake klappen. Mij laten ze met rust. Wat belachelijk. Als iemand in het gareel gehouden moet worden zijn het wel de politie-agenten zelf. Geschrokken voeg ik me niet veel later snel weer bij de andere feestgangers.
Behalve deze achterlijke vertoning van de arm der wet is de eerste avond een groot succes. Morgen en overmorgen zal het feest doorgaan, net zolang tot de zon maandagochtend opkomt. Dat belooft wat!




Nadat ik en Anna (mijn Finse collega en huisgenoot) onze party-oufits uit de kast hebben getrokken (in de bush wonen is natuurlijk geen excuus om er belabberd bij te lopen) gaan we op pad. Het is al donker, maar de maan verlicht het zanderige paadje richting het centrum. We volgen de muziek, het feest is al begonnen!
De avond- en nacht- die erop volgt is geweldig: We smullen van al het lekkers dat in de barretjes verkocht wordt (het kan me even niks schelen dat we er misschien ziek van worden), verbazen ons over de traditionele strijdersdansen die opgevoerd worden, drinken (natuurlijk) rum-cola en dansen tot we niet meer kunnen. De locals om ons heen blijven eerst argwanend op een afstandje en bestuderen wat lacherig onze Europese -niet al te professionele- danstechnieken. Een aantal van hen staart ons zelfs met open mond aan, kennelijk ben ik niet de enige die vanavond nieuwe dingen ziet ;-)
Al snel gaan we echter op in de dansende menigte en proberen een paar jongeren ons zelfs de typische Androy-dans te leren (wat natuurlijk onbegonnen werk is).
Na mijn niet zo positieve ervaring met het Oktoberfest in Tana is het festival een Ambovombe een verademing. Iedereen is zo rustig en beleefd. Niemand probeert zich naar voren te dringen, geen geduw en getrek. Geen ruzies, geen vechtpartijen. Mensen respecteren elkaar en elkaars ruimte. En toch doet dat niks af aan de uitgelaten sfeer. Helemaal vooraan blijven de mensen- vreemd genoeg – op zo’n twee meter afstand van het podium. Waarom komt er niemand dichterbij? Het is een prima plek om wat foto’s te maken. En dat doe ik dan ook. Nog geen twee minuten later deinst de hele groep feestgangers achter me ineens terug. Ik kijk om en zie drie politie-agenten iedereen die de onzichtbare lijn over is gegaan met een stok terug de menigte in slaan. Ook de paar kinderen, die samen met mij naar voren zijn gelopen, krijgen rake klappen. Mij laten ze met rust. Wat belachelijk. Als iemand in het gareel gehouden moet worden zijn het wel de politie-agenten zelf. Geschrokken voeg ik me niet veel later snel weer bij de andere feestgangers.
Behalve deze achterlijke vertoning van de arm der wet is de eerste avond een groot succes. Morgen en overmorgen zal het feest doorgaan, net zolang tot de zon maandagochtend opkomt. Dat belooft wat!




vrijdag 5 december 2008
7-uur-'s-ochtends-overpeinzingen

Na mijn eerste nacht heerlijk geslapen te hebben - ondanks het vreselijke matras - begeef ik me naar de “badkamer” (een vertrek in het huis met een grote ton water). Ik neem een “douche” (was me zo goed en kwaad als het kan met het water uit de ton) en kleedt me aan. Ik loop naar buiten. De grote veranda van het huis kijkt uit op een grote tuin. Nou ja, een grote droge vlakte met wat cactussen. Ik zit op de drempel en neem de omgeving in me op. Ook al is het nog maar half zeven ’s ochtends, de zon brandt al op mijn armen. Ik zie het huisje van onze bewaker voor het eerst in daglicht. Een houten hutje, half verscholen achter een van de cactussen. De bewaker is – naar mijn idee- zeker 70 jaar oud, maar heeft een zoon van een jaar of 13 die hem constant volgt. Ook nu zie ik de bewaker rondscharrelen en zijn zoon hem volgen als een klein kuikentje dat bang is zijn moeder kwijt te raken. Ik kan van verre zien dat de jongen geestelijk gehandicapt is. Gisteren viel het me al op dat hij- toen hij aan zijn vader hing wanneer deze het hek voor me openmaakte- niet kan praten. Ik vraag me af of de oude man misschien zijn opa is en of zijn ouders hem misschien wel in de steek hebben gelaten. Of overleden zijn. Je weet maar nooit. Net als zijn vader (of zou het toch zijn opa zijn?) is de jongen gekleed in niet meer dan een paar vodden. Geen van beide draagt schoenen. En ze zijn broodmager. Ik vraag me af met hoeveel personen de bewakersfamilie in het hutje woont. Ik zie twee vrouwen in en uitlopen met hout en om een vuurtje te stoken. Ook apart, de twee vrouwen. Polygamie is normaal in deze streek. Voor de Androy (de grootste stam in het Zuiden) is het hebben van veel vrouwen een statussymbool. Misschien heeft de bewaker dus ook wel twee vrouwen.
Een stukje verderop, voor het hek, verkopen kinderen mango’s en geroosterde patate douce. Er komt een kar met zebu voorbij, het beest ploetert door het droge zand. De twee kinderen op de kar proberen het beest met een twijgje aan te sporen wat meer vaart te maken. Dan komt de grote WFP-jeep de tuin in scheuren om me op te halen. En besef ik me ineens hoe gigantisch de kloof tussen het dagelijkse leven van de mensen hier en mijn “luxe” leventje is...
dinsdag 2 december 2008
Tongasoa a Ambovombe !
Na de korte stop in Amboasary is het nog zo’n 30 kilometer naar Ambovombe, waar ik de komende drie weken zal vertoeven. Ik zit met mijn blote voeten op het dashboard en kijk naar het landschap dat zich aan ons voorbij trekt.
Na Amboasary begint ineens begint de droogte. Geen groene planten meer. En zeker geen regen. Volgens de Lonely Planet is het droge Zuiden “Every filmmaker’s wet dream”. Ik begrijp waarom. Het is alsof je aan het einde van de wereld bent beland. De rode vruchtbare aarde waar Madagascar zo bekend om staat gaat langzaamaan over in kurkdroog zand waar alleen de hardnekkigste planten kunnen overleven. En dat zijn cactussen. En hier en daar een eenzame baobab die zijn takken fier de lucht insteekt. Door de grillige natuur lijkt het alsof de tijd hier altijd stil heeft gestaan. Alsof de rest van de wereld volop in ontwikkeling was, maar dit stukje van de aarde al die tijd ongerept is gebleven.
Toch wonen ook hier mensen. Af en toe duikt er ineens iemand op uit de cactusbosjes langs de kant van de weg. Ik vraag me af waar mensen hier van kunnen leven. Er is namelijk helemaal niks.
Hoe dichter we Ambovombe naderen, hoe meer dorpjes opdoemen tussen de cactussen. Huisjes zijn niet groter dan een paar vierkante meter en niet hoger dan 1meter50. De muren bestaan uit niet meer dan een paar kromme takken.
Rond 14.00 uur rijden we eindelijk het stoffige stadje Ambovombe in en komen al snel aan bij het WFPkantoor: een klein geel met wit geschilderd huisje dat volgens het bord dat half aan het het gammele hek voor de deur hangt eerst als school diende.
Ik wordt bij binnenkomst hartelijk begroet en maak kennis met de staf. Chef de subbureau Balma (uit Burkina Faso) had ik al in Tana ontmoet en ik ben blij hem hier weer te treffen. Het is een grote, vrolijke kerel en ik kon in Tana meteen al goed met hem overweg. Balma heeft alle Conseiller Animateurs bijeengeroepen (de mannen die per motor alle schoolkantines bezoeken om het functioneren ervan te monitoren) om mijn missie voor de komende 3 weken te bespreken. De eerste week zal ik op kantoor in Ambovombe werken om de vragenlijsten voor de interviews te finaliseren. Daarna zal ik zoveel mogelijk scholen bezoeken om de magasiniers, cuisinieres (moeders die het eten koken) en de lokale gemeenschap (de ouders van de leerlingen) van de schoolkantines te interviewen. Het WFP voorziet de scholen namelijk van voedsel (rijst, gedroogde groenten en olie) en het is aan de ouders van de gemeenschap zelf om voor de infrastructuren (magazijn, eetzaal, keuken etc) te zorgen. Verder zijn de ouders verantwoordelijk voor het onderhoud van de kantine en moeten ze ervoor zorgen dat het voedsel dat elke drie maanden geleverd wordt veilig opgeslagen wordt om verliezen zo klein mogelijk te houden.
Zoals verwacht lopen echter nog lang niet alle schoolkantines zoals zou moeten. Aan de hand van de vragenlijsten ga ik analyseren welke kennis er ontbreekt. Zo wil ik weten hoe het bijvoorbeeld staat met de kennis van de cuisinieres wat betreft hygiene: Wassen ze bijvoorbeeld hun handen voordat ze het voedsel bereiden? Weten ze dat er een link bestaat tussen “besmet” voedsel en ziektes als diarrhee? (Nog steeds een belangrijke doodsoorzaak hier) En, ook erg belangrijk: Is het eten op tijd (om 9.15 uur) klaar zodat de kinderen de nodige energie binnen krijgen om zich te kunnen concentreren tijdens de lessen?
Wat betreft de magasiniers wil ik graag weten hoe ze het voedsel opslaan en of dit volgens de regels is. Zo moeten de zakken rijst en groenten op pallets geplaatst worden, “en couches alternee” (oftewel op een bepaalde manier gestapeld) en met genoeg ruimte tussen de vivres voor wekelijkse controle van de kwantiteit en kwaliteit. Verder is het ook hier van groot belang dat het magazijn schoon gehouden wordt. Dit om ratten en insecten die het voedsel kunnen aanvreten te voorkomen.
Voor de parents d’eleves (oftewel de lokale gemeenschap) is bewustwording noodzaak: Kennen de ouders de objectives van de cantines scolaires? Weten ze bijvoorbeeld dat de dagelijkse maaltijden bedoeld zijn om hun kinderen zich een paar uur lang te kunnen concentreren en ze zo een kans op een betere toekomst bij te gunnen? En dat het dus niet slechts gratis eten is? Met de verworven informatie zal ik communication tools ontwikkelen voor alle 1000 scholen in het Zuiden. In de vorm van posters en folders.
We flansen snel een strak programma in elkaar: De komende 3 weken zal ik op missie gaan en meer dan 20 scholen bezoeken. Er wordt een auto met chauffeur voor me geregeld en Tanasy -een van de conseiller animateurs- zal meegaan op missie om te tolken (bijna niemand spreekt hier namelijk Frans).
Om 7 uur s avonds ben ik doodop en ga eindelijk richting mijn nieuwe huis. Ik zal de tijd dat ik in Ambovombe ben slapen bij Anna, mijn Finse WFPcollega. Bij aankomst ben ik verrast: Ondanks dat wij -zoals ik moet geloven- in een van de luxere huizen van Ambovombe wonen is er geen stromend water en geen elektriciteit. Op de tast zoek ik uitgeput mijn bed op, tanden poetsen doe ik morgen wel...
Welkom in Ambovombe! ;-)
Fort Dauphin – Amboasary: Stop in het hoofddepot
Na ons rivieravontuur komen we al snel aan in Amboasary. Het depot ligt temidden van een verlaten sisalplantage. De grote groene planten hebben de tand des tijds weten te weerstaan, de huisjes waar de arbeiders woonden staan er verlaten bij. Het prikkeldraad waarmee het kantoor omheind is en de versleten WFPvlag die treurig wappert in de wind geven de omgeving een grimmig aanzien.
Bruno werkt samen met Tanasy (een van de Conseiller Animateurs- de mannen die op de motor tussen de scholen rondreizen en in de gaten houden of de kantines goed functioneren) in een klein geimproviseerd kantoortje, waarschijnlijk het oude kantoor van de sisal-baas.
Voor de handleidingen die ik aan het maken ben voor de magasiniers van de schoolkantines wil ik meer weten over welke regels er gelden in het magazijn.
Bruno leidt me rond door de depots. Hij vertelt me hoe de zakken rijst gestapeld moeten worden. Een van de jongens uit het dorp die in het depot werkt laat zien hoe het moet. Zijn zwarte haar is wit van het stof.
Het hoofddepot ziet er keurig uit. Alle zakken rijst zijn op een bepaalde manier gestapeld om de ruimte tussen de zakken zo klein mogelijk te houden. Zo wordt voorkomen dat ratten en andere hongerige beestjes hun tanden in het voedsel zetten. Verder is alles brandschoon. Het is duidelijk dat Bruno de zaak goed onder controle heeft.
Nu alleen de schoolmagazijnen nog. Je mag namelijk van geluk spreken als je een schoolmagazijn aantreft dat in redelijke staat is. De meeste magazijnen zijn niet meer dan houten hutjes, veel te klein voor alle zakken rijst en erwten. En het dak laat meestal ook te wensen over. Nadat Bruno me wat foto’s heeft laten zien van een aantal magazijnen, weet ik genoeg: Er is werk aan de winkel!
Ik stop mijn aantekeningen in mijn tas, zeg iedereen gedag en klim in de grote WFPauto.
De jongen met het stof in zijn haar zwaait ons uit terwijl we -een grote stofwolk achterlatend- het terrein afrijden.
woensdag 12 november 2008
Fort Dauphin – Amboasary: Als Mohammed niet naar de berg komt...
Op het vliegveld aangekomen wordt ik meteen geconfronteerd met de realiteit van het droge Zuiden: er is hier geen stromend water. En je kunt het toilet dus niet doorspoelen. Hmmm, dat is even wennen. Wat te doen met het toiletpapier? Zo te zien gaat dat in een grote emmer in de hoek van het smoezelige hokje. Ik probeer mijn handen zo goed en kwaad als het gaat een beetje te wassen in de bak water die naast de gootsteen staat. Aan de kleur te zien was dit bij nader inzien niet zo’n goed idee.
Ik vis mijn belachelijke grote tas van de band – alleen het hoognodige pakken blijft een opgave voor me. Er komt er een jongen met een grote lach op zijn gezicht op me afgelopen. Of ik Mariaaka ben.
Hoe heeft Rado -de WFP chauffeur uit Ambovombe zoals later blijkt- me zo snel kunnen herkennen tussen al deze Wahaza? De toon is met deze vrolijke begroeting in ieder geval meteen gezet. Hij neemt de grote tas van me over (ik schaam me meteen voor alle troep die ik wederom heb meegesleept) en zet hem achterin de 4x4 die buiten geparkeerd staat. Tot mijn verbazing regent het. Is dit nou het arme droge Zuiden? Weer moet ik lachen om de teleurgestelde gezichten van de toeristen die ondertussen ook naar buiten komen druppelen en onmiddelijk door de vele taxichauffeurs belaagd worden. Helaas geen strandweer vandaag!
Ik nestel me in de comfortabele bijrijdersstoel en Rado zet Malagassische muziek aan. Op naar Ambovombe!
De drie uur durende rit die erop volgt is geweldig. Vanaf Fort Dauphin tot Amboasary (zo’n 52 kilometer) is het landschap prachtig groen. De weg is hier en daar geasfalteerd, maar de vele gigantische kuilen verraden dat het laatste wegonderhoud jaren geleden is geweest. We passeren mannen op fietsen met kleurige regenjassen en vrouwen en kinderen die te voet op weg zijn naar het volgende dorp. We stoppen op een van de kleurrijke marktjes langs de kant van de weg om lychees en papayas voor onze collega’s in Ambovombe te kopen. Iedereen gaapt ons aan en hier en daar klinkt een giegelend “Wahaza”. Ongelofelijk, een gigantische mand met zeker 300 lychees kost maar 3000 Ariary!(1euro50) De mand wordt ingepakt met grote groene bananenbladeren en gaat achterin, naast mijn spullen.
Vlak voor aankomst in Amboasary -waar ik het WFP hoofddepot van de Zuidelijke regio ga bekijken- zit onze tot dan toe voorspoedige reis even tegen: de grote brug die we moeten oversteken om Amboasary te bereiken is geblokkeerd. Rado probeert – na wat Alpha Bravo Tangotaal- contact met de suboffice te krijgen om om inlichtingen te vragen, maar zonder resultaat.
Als Mohammed niet naar de berg komt, komt de berg wel naar Mohammed. En zo gaan wij, als we niet over de brug kunnen, door de rivier.
Rado stuurt een jongetje uit het dorp de rivier in om te peilen hoe hoog het water staat en ik vraag me ondertussen af of dit wel zo’n goed idee is. Het water is meer dan een meter hoog en er staat zo te zien ook veel stroming.
We sluiten de ramen, en rijden een stukje verder de oever op om een goede “aanloop” te nemen. Met grote vaart rijden we het water in, dat binnen no time over de motorkap stroomt en tot aan mijn raam reikt. Dat is nog eens wat anders dan op de A4 in de file staan! Even later staan we weer hoog en droog aan de overkant en vervolgen onze reis. En voel ik me net Indiana Jones ;-)
Ik vis mijn belachelijke grote tas van de band – alleen het hoognodige pakken blijft een opgave voor me. Er komt er een jongen met een grote lach op zijn gezicht op me afgelopen. Of ik Mariaaka ben.
Hoe heeft Rado -de WFP chauffeur uit Ambovombe zoals later blijkt- me zo snel kunnen herkennen tussen al deze Wahaza? De toon is met deze vrolijke begroeting in ieder geval meteen gezet. Hij neemt de grote tas van me over (ik schaam me meteen voor alle troep die ik wederom heb meegesleept) en zet hem achterin de 4x4 die buiten geparkeerd staat. Tot mijn verbazing regent het. Is dit nou het arme droge Zuiden? Weer moet ik lachen om de teleurgestelde gezichten van de toeristen die ondertussen ook naar buiten komen druppelen en onmiddelijk door de vele taxichauffeurs belaagd worden. Helaas geen strandweer vandaag!
Ik nestel me in de comfortabele bijrijdersstoel en Rado zet Malagassische muziek aan. Op naar Ambovombe!
De drie uur durende rit die erop volgt is geweldig. Vanaf Fort Dauphin tot Amboasary (zo’n 52 kilometer) is het landschap prachtig groen. De weg is hier en daar geasfalteerd, maar de vele gigantische kuilen verraden dat het laatste wegonderhoud jaren geleden is geweest. We passeren mannen op fietsen met kleurige regenjassen en vrouwen en kinderen die te voet op weg zijn naar het volgende dorp. We stoppen op een van de kleurrijke marktjes langs de kant van de weg om lychees en papayas voor onze collega’s in Ambovombe te kopen. Iedereen gaapt ons aan en hier en daar klinkt een giegelend “Wahaza”. Ongelofelijk, een gigantische mand met zeker 300 lychees kost maar 3000 Ariary!(1euro50) De mand wordt ingepakt met grote groene bananenbladeren en gaat achterin, naast mijn spullen.
Vlak voor aankomst in Amboasary -waar ik het WFP hoofddepot van de Zuidelijke regio ga bekijken- zit onze tot dan toe voorspoedige reis even tegen: de grote brug die we moeten oversteken om Amboasary te bereiken is geblokkeerd. Rado probeert – na wat Alpha Bravo Tangotaal- contact met de suboffice te krijgen om om inlichtingen te vragen, maar zonder resultaat.
Als Mohammed niet naar de berg komt, komt de berg wel naar Mohammed. En zo gaan wij, als we niet over de brug kunnen, door de rivier.
Rado stuurt een jongetje uit het dorp de rivier in om te peilen hoe hoog het water staat en ik vraag me ondertussen af of dit wel zo’n goed idee is. Het water is meer dan een meter hoog en er staat zo te zien ook veel stroming.
We sluiten de ramen, en rijden een stukje verder de oever op om een goede “aanloop” te nemen. Met grote vaart rijden we het water in, dat binnen no time over de motorkap stroomt en tot aan mijn raam reikt. Dat is nog eens wat anders dan op de A4 in de file staan! Even later staan we weer hoog en droog aan de overkant en vervolgen onze reis. En voel ik me net Indiana Jones ;-)
dinsdag 11 november 2008
Donderdag 6 november: Tana – Fort Dauphin
Geheel onverwachts was er nog een plekje vrij op de vlucht Antananarivo-Fort Dauphin en vloog ik vandaag eerder dan verwacht richting het Zuiden. Eindelijk! Ik keek er al lang naar uit om het drukke en regenachtige Tana tijdelijk in te ruilen voor de hitte en het avontuur van la brousse (oftewel de bush).
5 uur ‘s ochtends staat Pascal, een van de WFPchauffeurs, al klaar om me op te pikken. Nog half gaar van het iets-later-dan-verwacht-uitgepakte afscheidsdineetje de avond ervoor stap ik in de auto.
Eindelijk! Op naar het Zuiden! Werken aan vragenlijsten in Tana is interessant, maar ik ben er nu echt aan toe om er zelf op uit te trekken en te gaan bekijken hoe de schoolkantines functioneren in het droge, arme en volgens velen vergeten Zuiden. Zeker na alle spookverhalen – “Er is daar geen water!”- sta ik te popelen om het met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Nou ja, popelen, dat doe ik wel na een uurtje slaap in het vliegtuig ;-)
Vliegveld Tana, inchecken, belabberde security check (ik loop zo door met mijn literfles water) op naar de bar voor wat koffie. Wanneer ik mijn spullen pak om alvast wat te werken, wordt ik aangesproken door een groep toeristen naast me. “Oh la la, le bon matin et ca travaille déjà!” Aan hun bruine koppen af te lezen gaat deze groep mannen van middelbare leeftijd richting Fort Dauphin om lekker verder te bakken op het strand. Ik kan een kleine grinnik niet onderdrukken: Ik heb wel wat beters te doen dan de aangebrande toerist uit te hangen. Ik ga eindelijk het veld in!
Het vliegtuig is bomvol. Voor het merendeel (Franse) toeristen.Voor zover ik in kan schatten bestaat de rest van de menselijke belading uit NGO- of UN-mensen. Geen zakenmannen, kennelijk valt er niks te halen in het Zuiden. En al helemaal geen Malagassi. Voor de meeste van hen is een vlucht van 250 euro nou eenmaal onbetaalbaar.
Wanneer ik een kwartier later uit het raampje van het vliegtuig kijk ben ik op slag vergeten hoe moe ik ben. Een lange rits rijstvelden slingert door het berglandschap. Het water schittert in de zon. De ochtendzon breekt door de paar wolken die nog niet vertrokken zijn na de nacht. Prachtig. Wat ben ik blij dat ik hier ben.
In plaats van een uurtje te slapen blijf ik de rest van de anderhalf uur durende vlucht aan het raampje van het vliegtuig gekluisterd. Ik wil niks missen van deze vlucht die van mij wel veel langer zou mogen duren…
5 uur ‘s ochtends staat Pascal, een van de WFPchauffeurs, al klaar om me op te pikken. Nog half gaar van het iets-later-dan-verwacht-uitgepakte afscheidsdineetje de avond ervoor stap ik in de auto.
Eindelijk! Op naar het Zuiden! Werken aan vragenlijsten in Tana is interessant, maar ik ben er nu echt aan toe om er zelf op uit te trekken en te gaan bekijken hoe de schoolkantines functioneren in het droge, arme en volgens velen vergeten Zuiden. Zeker na alle spookverhalen – “Er is daar geen water!”- sta ik te popelen om het met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Nou ja, popelen, dat doe ik wel na een uurtje slaap in het vliegtuig ;-)
Vliegveld Tana, inchecken, belabberde security check (ik loop zo door met mijn literfles water) op naar de bar voor wat koffie. Wanneer ik mijn spullen pak om alvast wat te werken, wordt ik aangesproken door een groep toeristen naast me. “Oh la la, le bon matin et ca travaille déjà!” Aan hun bruine koppen af te lezen gaat deze groep mannen van middelbare leeftijd richting Fort Dauphin om lekker verder te bakken op het strand. Ik kan een kleine grinnik niet onderdrukken: Ik heb wel wat beters te doen dan de aangebrande toerist uit te hangen. Ik ga eindelijk het veld in!
Het vliegtuig is bomvol. Voor het merendeel (Franse) toeristen.Voor zover ik in kan schatten bestaat de rest van de menselijke belading uit NGO- of UN-mensen. Geen zakenmannen, kennelijk valt er niks te halen in het Zuiden. En al helemaal geen Malagassi. Voor de meeste van hen is een vlucht van 250 euro nou eenmaal onbetaalbaar.
Wanneer ik een kwartier later uit het raampje van het vliegtuig kijk ben ik op slag vergeten hoe moe ik ben. Een lange rits rijstvelden slingert door het berglandschap. Het water schittert in de zon. De ochtendzon breekt door de paar wolken die nog niet vertrokken zijn na de nacht. Prachtig. Wat ben ik blij dat ik hier ben.
In plaats van een uurtje te slapen blijf ik de rest van de anderhalf uur durende vlucht aan het raampje van het vliegtuig gekluisterd. Ik wil niks missen van deze vlucht die van mij wel veel langer zou mogen duren…
maandag 20 oktober 2008
Een paar foto's...
Huisje middenin de stad

Zaza!

Een stukje verderop in mijn straat

De Hoge Raad in Madagascar

WFP! of PAM? Of nee, WFP!

Zaza!

Een stukje verderop in mijn straat

De Hoge Raad in Madagascar

WFP! of PAM? Of nee, WFP!
vrijdag 17 oktober 2008
Taxi!
De taxi nemen in Tana blijft grappig. Ik weet nog goed dat we in de eerste week van ons verblijf na een avondje Sakamanga een taxi in wilden stappen en Laurentiu de halve deur eruit trok toen hij deze heel charmant voor me wilde openen. De taxichauffeur vond het heel normaal, trok de deur verder zijn voegen en plaatste hem naast ons op de achterbank. Alsof het de achteruitkijkspiegel was die van zijn auto was gevallen.
Iets dat me mogelijk nog meer verbaasde, is dat het merendeel van de chauffeurs geen gebruik van de benzinetank. Veel chauffeurs huren hun auto namelijk per dag, en wat te doen als je de auto weer in moet leveren en er zit nog benzine in de tank? Dan neem je gewoon een lege colafles, verbindt deze met een slangetje aan de motor en plaatst deze in het ‘vooronder’ van de passagiersstoel. Zééér inventief!
Een bijkomend voordeel van deze methode is dat de colafles erg snel leegraakt en de taxichauffeur –naar mijn idee vooral wanneer er Vahaza in zijn auto zitten- altijd alvast een voorschot op de prijs van de rit nodig heeft om te tanken. (Oftwel de fles bij te vullen, misschien is ‘tanken’ hier niet de juiste benaming).Altijd oppassen dus dat je niet het hele bedrag betaalt, anders loop je het gevaar dat de chauffeur na het tanken toch een paar duizend ariary meer wil om je naar je bestemming te brengen.
Ik begin het onderhandelen al goed in de vingers te krijgen. Nadat Laurentiu en ik de eerste dag in Tana een belachelijke prijs van 10.000 ariary (beginnersfout- we hadden van tevoren geen prijs afgesproken) voor een ritje van twee minuten betaald hadden, besloot ik mijn onderhandelingstalenten maar eens flink bij te schaven.
En dat begint aardig te lukken. Zo gaat bijna elk ritje volgens de chauffeurs berg op, en is dus duurder dan normaal (“Non! non! ça monte, c’est pour ça que ca coute plus cher!”) Volgens mij betekent dat echter ook, dat als je bergaf gaat, het goedkoper is, toch? Dus zeg ik voortaan, wanneer ik ergens heen wil, dat het bergaf is- en dus goedkoper, haha! Geen taxichauffeur zet me meer af tegenwoordig!
Het is in Tana trouwens ook slim om, wanneer je bergop loopt (op een eenrichtingsweg), de weg te nemen die afdaalt. Dit in verband met de vervuiling. Iedereen zet namelijk, om brandstof te besparen, zijn motor uit wanneer hij naar beneden rijdt. (Wat ook betekent dat niemand op zijn motor remt, maar alleen met de remmen –of iets wat door moet gaan als een rem. Ik heb al heel wat auto’s de berm (of een huis) in zien crossen).
Wel moet ik toegeven dat Kameroen nog steeds de lijst aanvoert qua het aantal personen dat in een taxi past. Daar zat ik, drie jaar geleden, met niet minder dan 11 mensen in een taxi-clando (waaronder een aantal kinderen, maar toch). In Tana is de stand tot nu toe 7 (exclusief de chauffeur).
Hmmm, misschien valt daar de volgende keer nog over te onderhandelen ;-)
Iets dat me mogelijk nog meer verbaasde, is dat het merendeel van de chauffeurs geen gebruik van de benzinetank. Veel chauffeurs huren hun auto namelijk per dag, en wat te doen als je de auto weer in moet leveren en er zit nog benzine in de tank? Dan neem je gewoon een lege colafles, verbindt deze met een slangetje aan de motor en plaatst deze in het ‘vooronder’ van de passagiersstoel. Zééér inventief!
Een bijkomend voordeel van deze methode is dat de colafles erg snel leegraakt en de taxichauffeur –naar mijn idee vooral wanneer er Vahaza in zijn auto zitten- altijd alvast een voorschot op de prijs van de rit nodig heeft om te tanken. (Oftwel de fles bij te vullen, misschien is ‘tanken’ hier niet de juiste benaming).Altijd oppassen dus dat je niet het hele bedrag betaalt, anders loop je het gevaar dat de chauffeur na het tanken toch een paar duizend ariary meer wil om je naar je bestemming te brengen.
Ik begin het onderhandelen al goed in de vingers te krijgen. Nadat Laurentiu en ik de eerste dag in Tana een belachelijke prijs van 10.000 ariary (beginnersfout- we hadden van tevoren geen prijs afgesproken) voor een ritje van twee minuten betaald hadden, besloot ik mijn onderhandelingstalenten maar eens flink bij te schaven.
En dat begint aardig te lukken. Zo gaat bijna elk ritje volgens de chauffeurs berg op, en is dus duurder dan normaal (“Non! non! ça monte, c’est pour ça que ca coute plus cher!”) Volgens mij betekent dat echter ook, dat als je bergaf gaat, het goedkoper is, toch? Dus zeg ik voortaan, wanneer ik ergens heen wil, dat het bergaf is- en dus goedkoper, haha! Geen taxichauffeur zet me meer af tegenwoordig!
Het is in Tana trouwens ook slim om, wanneer je bergop loopt (op een eenrichtingsweg), de weg te nemen die afdaalt. Dit in verband met de vervuiling. Iedereen zet namelijk, om brandstof te besparen, zijn motor uit wanneer hij naar beneden rijdt. (Wat ook betekent dat niemand op zijn motor remt, maar alleen met de remmen –of iets wat door moet gaan als een rem. Ik heb al heel wat auto’s de berm (of een huis) in zien crossen).
Wel moet ik toegeven dat Kameroen nog steeds de lijst aanvoert qua het aantal personen dat in een taxi past. Daar zat ik, drie jaar geleden, met niet minder dan 11 mensen in een taxi-clando (waaronder een aantal kinderen, maar toch). In Tana is de stand tot nu toe 7 (exclusief de chauffeur).
Hmmm, misschien valt daar de volgende keer nog over te onderhandelen ;-)
dinsdag 14 oktober 2008
School Feeding
De meeste mensen denken bij Madagaskar aan de unieke flora (boababs) en fauna (lemuren) waar het land bekend om staat. Het clichebeeld van ondervoede Afrikaanse kinderen met opgeblazen buikjes is niet iets waar het op-drie-na-grootste-eiland-ter-wereld snel mee geassocieerd wordt. Toch leeft 74% van de Malagassi onder de armoedegrens, wat betekent dat meer dan de helft van de bevolking rond moet komen van minder dan twee dollar per dag. En zijn ondervoede kinderen dus ook hier geen zeldzaamheid.
De afgelopen jaren is de situatie steeds nijpender geworden: Door de opkomst van de midden- en bovenklasse in ‘vroegere ontwikkelingslanden’ als landen als China, India en Rusland is de voedsel- (en vooral vlees-)consumptie enorm gestegen. Wanneer mensen meer te besteden hebben, wordt er nu eenmaal meer gegeten. Ook zorgt de opkomst van biobrandstoffen ervoor dat de graan- en maismarkt erg krap is geworden. Samen met de stijging van de olieprijzen en de steeds extremere weersomstandigheden waardoor boeren van hun oogst beroofd worden is er sprake van een ‘hausse de prix alimentaires’ oftwel een enorme prijsstijging van landbouwproducten als rijst, graan, mais en soja.
Juist de mensen die al onder de armoedegrens leven zijn hier de dupe van, nu zij zo’n 70% (in Nederland is dit slechts zo’n 15%) van hun inkomsten aan voedsel spenderen en dus geen speling in hun bestedingsruimte hebben. Voor hen is niet alleen de benzine wat duurder geworden, ze kunnen simpelweg niet meer eten. De regering heeft de export van rijst al tijdelijk aan banden gelegd, maar er is nog steeds een voedseltekort. (Al las ik dat de hypotheekcrisis er weer voor zal zorgen dat de prijzen weer zullen dalen en mensen dus weer meer te eten zullen hebben, ik als economisch ‘wonder’ ;-) dit is cynisch bedoeld- weet echter niet of dit van invloed zal zijn). Hoe dan ook, met de ‘securite alimentaire’, oftewel voedselzekerheid, is het in Madagaskar niet best gesteld.
Het WFP is de grootste humanitaire organisatie ter wereld die voedsel verstrekt waar dit nodig is. Zo ook in Madagaskar. Behalve noodhulp in rampgebieden (elk jaar razen er wel een aantal verwoestende cyclonen door het land, mensen zonder huis en boeren zonder land achterlatend) biedt het WFP ook voedselhulp om ontwikkeling mogelijk te maken. En dit is precies waar School Feeding – de afdeling waar ik voor werk- om draait.
In de armste gebieden van Madagaskar (in de kurkdroge en door sprinkhanen geteisterde zuidelijke provincies Toliary, Ambovombe en Amboasary) heeft het WFP in samenwerking met het Ministerie van Onderwijs schoolkantines geopend. Kinderen krijgen elke dag een maaltijd, om zo het aantal drop-outs naar beneden te brengen en ervoor te zorgen dat de leerlingen zich kunnen concentreren op de les en daadwerkelijk in staat zijn wat kennis op te doen (wat niet gaat met een lege maag). Verder krijgen ze een take-home ration, een pakketje voedsel om mee naar huis te nemen. Dit is een stimulans voor de ouders om hun kind naar school te sturen in plaats van het thuis te houden om te werken.
De Malagassische overheid heeft dit jaar een groot bedrag beschikbaar gesteld om het aantal schoolkantines in het Zuiden uit te breiden van 200 naar meer dan 800 kantines. Genoeg werk aan de winkel dus! Het WFP zorgt samen met het Ministerie voor de inkoop en verspreiding van het voedsel en de algemene planning en controle. De kantines zelf worden gerund door de lokale gemeenschap, die zelf een bestuur moeten vormen dat verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken. Dit lokale bestuur wordt weer door het WFP ondersteunt met Conseiller Animateurs (oftewel Food Aid Monitors). (Erg vervelend trouwens al die dubbele namen en afkortingen, waarom wordt er niet gewoon een ‘universele’ taal aangehouden?! Zo is WFP in het Frans PAM, UNDP is PNUD, om van de meer ingewikkelde afkortingen maar niet te spreken...) Maar goed, de Conseiller Animateurs reizen langs alle scholen om de ontwikkelingen in de gaten te houden.
De mensen ‘in charge’ op de scholen zelf zijn de president van de lokale gemeenschap, de magasiniers en de cantinieres (de vrouwen die het eten bereiden). And that is where I come in: Ik ga voor deze kleine, maar belangrijke groep mensen handleidingen ontwikkelen aan de hand waarvan ze hun taken goed uit kunnen voeren. Zo zijn de magasiniers verantwoordelijk voor het afmeten van de hoeveelheden rijst, bonen en olie (waaruit elk maaltijd bestaat), maar ook voor het controleren van de hoeveelheid voedsel die binnenkomt. Soms willen chauffeurs nog wel eens wat achterhouden, dus het is heel belangrijk dat de magasiniers een systeem hebben om dit in de gaten te houden. Verder is het voor de cantinieres belangrijk te weten hoe ze het voedsel precies moeten bereiden (haricots moeten bijvoorbeeld een nacht van tevoren worden geweekt, om zo brandhout te besparen. Ja, er wordt ook aan het milieu gedacht!) Ook is het belangrijk dat de cuinieres alle hygienevoorschriften in acht nemen (ook al betekent dat in dit geval simpelweg dat ze hun handen moeten wassen voordat ze het eten bereiden, wat de ernst van de situatie wel redelijk weergeeft...)
Op het moment ben ik de eerste draft aan het opstellen, om in november drie weken naar het Zuiden te vertrekken. Daar, in Ambovombe, ga ik mijn eerste opzet ‘testen’ in de schoolkantines zelf. Om vervolgens naar Tana terug te keren om er de laatste hand aan te leggen. Daarna zal de handleiding (voor de cuisinieres in postervorm, voor de magasiniers en leraren waarschijnlijk in foldervorm) gedrukt worden en verspreid worden over de meer dan 800 scholen. Dat is heel wat interessanter dan 6 maanden koffie zetten en kopieren! En het leuke is dat ik helemaal vrij ben om er zelf van te maken wat ik wil. En dus al mijn ideeen uit kan werken.
Sandrine (de vrouw van Nicolas, mijn leidinggevende) werkt voor UNICEF en heeft me al een aantal ‘tools’ gestuurd aan de hand waarvan ik een strategie op kan stellen. (Erg grappig trouwens, van bijna alle expats die voor het WFP werken werkt hun wederhelft voor UNICEF, zo ook het koppel Nicolas-Sandrine). Verder heb ik vel contact met Anna (een Finse die sinds januari in Ambovombe werkt) en Zo (uit Tuliar) om informatie uit het veld in te winnen. Afgelopen weekend hadden we een workshop met alle WFP-ers en heb ik iedereen ontmoet. Ik zal in het Zuiden vooral met Anna gaan werken. We zullen samen een groot aantal scholen bezoeken en kijken wat de problemen zijn waar nog aan gewerkt kan worden. Ik ben zo benieuwd hoe het daar zal zijn...
Ohja, en op vrijdagen werken we maar tot 14.00 uur. Dus ik zal ook in Ambovombe veel tijd hebben de omgeving te verkennen. I love my job!!! :-D
De afgelopen jaren is de situatie steeds nijpender geworden: Door de opkomst van de midden- en bovenklasse in ‘vroegere ontwikkelingslanden’ als landen als China, India en Rusland is de voedsel- (en vooral vlees-)consumptie enorm gestegen. Wanneer mensen meer te besteden hebben, wordt er nu eenmaal meer gegeten. Ook zorgt de opkomst van biobrandstoffen ervoor dat de graan- en maismarkt erg krap is geworden. Samen met de stijging van de olieprijzen en de steeds extremere weersomstandigheden waardoor boeren van hun oogst beroofd worden is er sprake van een ‘hausse de prix alimentaires’ oftwel een enorme prijsstijging van landbouwproducten als rijst, graan, mais en soja.
Juist de mensen die al onder de armoedegrens leven zijn hier de dupe van, nu zij zo’n 70% (in Nederland is dit slechts zo’n 15%) van hun inkomsten aan voedsel spenderen en dus geen speling in hun bestedingsruimte hebben. Voor hen is niet alleen de benzine wat duurder geworden, ze kunnen simpelweg niet meer eten. De regering heeft de export van rijst al tijdelijk aan banden gelegd, maar er is nog steeds een voedseltekort. (Al las ik dat de hypotheekcrisis er weer voor zal zorgen dat de prijzen weer zullen dalen en mensen dus weer meer te eten zullen hebben, ik als economisch ‘wonder’ ;-) dit is cynisch bedoeld- weet echter niet of dit van invloed zal zijn). Hoe dan ook, met de ‘securite alimentaire’, oftewel voedselzekerheid, is het in Madagaskar niet best gesteld.
Het WFP is de grootste humanitaire organisatie ter wereld die voedsel verstrekt waar dit nodig is. Zo ook in Madagaskar. Behalve noodhulp in rampgebieden (elk jaar razen er wel een aantal verwoestende cyclonen door het land, mensen zonder huis en boeren zonder land achterlatend) biedt het WFP ook voedselhulp om ontwikkeling mogelijk te maken. En dit is precies waar School Feeding – de afdeling waar ik voor werk- om draait.
In de armste gebieden van Madagaskar (in de kurkdroge en door sprinkhanen geteisterde zuidelijke provincies Toliary, Ambovombe en Amboasary) heeft het WFP in samenwerking met het Ministerie van Onderwijs schoolkantines geopend. Kinderen krijgen elke dag een maaltijd, om zo het aantal drop-outs naar beneden te brengen en ervoor te zorgen dat de leerlingen zich kunnen concentreren op de les en daadwerkelijk in staat zijn wat kennis op te doen (wat niet gaat met een lege maag). Verder krijgen ze een take-home ration, een pakketje voedsel om mee naar huis te nemen. Dit is een stimulans voor de ouders om hun kind naar school te sturen in plaats van het thuis te houden om te werken.
De Malagassische overheid heeft dit jaar een groot bedrag beschikbaar gesteld om het aantal schoolkantines in het Zuiden uit te breiden van 200 naar meer dan 800 kantines. Genoeg werk aan de winkel dus! Het WFP zorgt samen met het Ministerie voor de inkoop en verspreiding van het voedsel en de algemene planning en controle. De kantines zelf worden gerund door de lokale gemeenschap, die zelf een bestuur moeten vormen dat verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken. Dit lokale bestuur wordt weer door het WFP ondersteunt met Conseiller Animateurs (oftewel Food Aid Monitors). (Erg vervelend trouwens al die dubbele namen en afkortingen, waarom wordt er niet gewoon een ‘universele’ taal aangehouden?! Zo is WFP in het Frans PAM, UNDP is PNUD, om van de meer ingewikkelde afkortingen maar niet te spreken...) Maar goed, de Conseiller Animateurs reizen langs alle scholen om de ontwikkelingen in de gaten te houden.
De mensen ‘in charge’ op de scholen zelf zijn de president van de lokale gemeenschap, de magasiniers en de cantinieres (de vrouwen die het eten bereiden). And that is where I come in: Ik ga voor deze kleine, maar belangrijke groep mensen handleidingen ontwikkelen aan de hand waarvan ze hun taken goed uit kunnen voeren. Zo zijn de magasiniers verantwoordelijk voor het afmeten van de hoeveelheden rijst, bonen en olie (waaruit elk maaltijd bestaat), maar ook voor het controleren van de hoeveelheid voedsel die binnenkomt. Soms willen chauffeurs nog wel eens wat achterhouden, dus het is heel belangrijk dat de magasiniers een systeem hebben om dit in de gaten te houden. Verder is het voor de cantinieres belangrijk te weten hoe ze het voedsel precies moeten bereiden (haricots moeten bijvoorbeeld een nacht van tevoren worden geweekt, om zo brandhout te besparen. Ja, er wordt ook aan het milieu gedacht!) Ook is het belangrijk dat de cuinieres alle hygienevoorschriften in acht nemen (ook al betekent dat in dit geval simpelweg dat ze hun handen moeten wassen voordat ze het eten bereiden, wat de ernst van de situatie wel redelijk weergeeft...)
Op het moment ben ik de eerste draft aan het opstellen, om in november drie weken naar het Zuiden te vertrekken. Daar, in Ambovombe, ga ik mijn eerste opzet ‘testen’ in de schoolkantines zelf. Om vervolgens naar Tana terug te keren om er de laatste hand aan te leggen. Daarna zal de handleiding (voor de cuisinieres in postervorm, voor de magasiniers en leraren waarschijnlijk in foldervorm) gedrukt worden en verspreid worden over de meer dan 800 scholen. Dat is heel wat interessanter dan 6 maanden koffie zetten en kopieren! En het leuke is dat ik helemaal vrij ben om er zelf van te maken wat ik wil. En dus al mijn ideeen uit kan werken.
Sandrine (de vrouw van Nicolas, mijn leidinggevende) werkt voor UNICEF en heeft me al een aantal ‘tools’ gestuurd aan de hand waarvan ik een strategie op kan stellen. (Erg grappig trouwens, van bijna alle expats die voor het WFP werken werkt hun wederhelft voor UNICEF, zo ook het koppel Nicolas-Sandrine). Verder heb ik vel contact met Anna (een Finse die sinds januari in Ambovombe werkt) en Zo (uit Tuliar) om informatie uit het veld in te winnen. Afgelopen weekend hadden we een workshop met alle WFP-ers en heb ik iedereen ontmoet. Ik zal in het Zuiden vooral met Anna gaan werken. We zullen samen een groot aantal scholen bezoeken en kijken wat de problemen zijn waar nog aan gewerkt kan worden. Ik ben zo benieuwd hoe het daar zal zijn...
Ohja, en op vrijdagen werken we maar tot 14.00 uur. Dus ik zal ook in Ambovombe veel tijd hebben de omgeving te verkennen. I love my job!!! :-D
maandag 13 oktober 2008
Vahaza!
Saturday evening (the 4th of October) my ‘common sense’ was tested again. The fourth of October is the day of the German reunification and THB (a well-known beer producer in Madagascar) organized a Malagassi version of the Oktoberfest to celebrate this joyful occasion. My roomie Friedl was so excited about the Oktoberfest (he’s German) that we just had to join him to the Stade de Mahamasina.
After some negotiating with the taxidriver we fixed a good price, hopped on and arrived at the Stade. Laurentiu and I already saw that it might not be such a good idea to go to the Oktoberfest: There was a long queue of people waiting to get in and the less patient party-candidates were forcing themselves a way through the mass of people in front of the main entrance, pushing and pulling each other a way in.
After some convincing arguments coming from Laurentiu’s and my side, we convinced Friedl to leave the place and go somewhere else. Wouldn’t it be that we ran into our French friends that wanted to give it a go too. We decided to set aside our uneasy feeling about the whole thing. Why not give it a try?
Now the main entrance was not an option, being a big chaos of too much people trying to squeeze themselves in through the little entrance, we- or rather Friedl- decided to try the VIP-entrance. He figured that he, being German and knowing lots of people from the German embassy, could definitely get us in. While he was busy convincing the guards to let us enter, I suddenly felt that one of the guys standing next to me was trying to slip his hand into one of my pockets. Although I didn’t bring anything of much value, I felt really, really uncomfortable with the whole situation, standing in the middle of this big crowd, not able to move left or right, and off course drawing attention to ourselves by (I hate to say it) looking European.
Finally the guards let the six of us in. I was very glad I could leave the crowd, but couldn’t suppress the feeling that I was doing something I’m really against: Getting things done just because you’re white. I couldn’t blame the people that had to stay outside for the disapproving looks they gave us when we passed them by. (One of the guys pretended to belong to our group and tried to sneak in with us, but off course the guards saw he didn’t belong to our group and he got pushed back into the crowd, how embarrassing….)
After entering the gate, we finally felt ourselves to be on ‘safe ground’ again. Wasn’t it for the guard that sneaked us in: he wanted some money for his services. (Off course… we should have known…) Another 10 minutes of discussing and negotiating later we were finally free to go and check out the party.
The chaos inside turned out to be even worse then the one we just left outside: Drunk people everywhere, drifting about fires on the ground and looking at us as if we were some attraction. Why did we even try to get in?!?! It was very clear that the Oktoberfest was not meant to be for us…
All of us felt really unsafe and we didn’t know what else to do than just staying where we were, in the middle of the big crowd, trying not to draw the attention on us (which is quite impossible, all of u being quite tall compared to the Malagassi…) Let’s get out of here!!
Only problem: We had to leave the party through the same entrance as where we got in. And off course, everybody who saw us get in was still outside, waiting for a chance to enter… When we walked out, people were pushing us, poking fingers at us and shouting ‘Vahaza, Vahaza!’ (which means ‘foreigner’ in Malagassi) We didn’t know how fast to get into a taxi and to Kudetat, the very posh loungebar at the Carlton hotel. At least here we where safe… ;-)
Next time we’ll be more careful, promise!
After some negotiating with the taxidriver we fixed a good price, hopped on and arrived at the Stade. Laurentiu and I already saw that it might not be such a good idea to go to the Oktoberfest: There was a long queue of people waiting to get in and the less patient party-candidates were forcing themselves a way through the mass of people in front of the main entrance, pushing and pulling each other a way in.
After some convincing arguments coming from Laurentiu’s and my side, we convinced Friedl to leave the place and go somewhere else. Wouldn’t it be that we ran into our French friends that wanted to give it a go too. We decided to set aside our uneasy feeling about the whole thing. Why not give it a try?
Now the main entrance was not an option, being a big chaos of too much people trying to squeeze themselves in through the little entrance, we- or rather Friedl- decided to try the VIP-entrance. He figured that he, being German and knowing lots of people from the German embassy, could definitely get us in. While he was busy convincing the guards to let us enter, I suddenly felt that one of the guys standing next to me was trying to slip his hand into one of my pockets. Although I didn’t bring anything of much value, I felt really, really uncomfortable with the whole situation, standing in the middle of this big crowd, not able to move left or right, and off course drawing attention to ourselves by (I hate to say it) looking European.
Finally the guards let the six of us in. I was very glad I could leave the crowd, but couldn’t suppress the feeling that I was doing something I’m really against: Getting things done just because you’re white. I couldn’t blame the people that had to stay outside for the disapproving looks they gave us when we passed them by. (One of the guys pretended to belong to our group and tried to sneak in with us, but off course the guards saw he didn’t belong to our group and he got pushed back into the crowd, how embarrassing….)
After entering the gate, we finally felt ourselves to be on ‘safe ground’ again. Wasn’t it for the guard that sneaked us in: he wanted some money for his services. (Off course… we should have known…) Another 10 minutes of discussing and negotiating later we were finally free to go and check out the party.
The chaos inside turned out to be even worse then the one we just left outside: Drunk people everywhere, drifting about fires on the ground and looking at us as if we were some attraction. Why did we even try to get in?!?! It was very clear that the Oktoberfest was not meant to be for us…
All of us felt really unsafe and we didn’t know what else to do than just staying where we were, in the middle of the big crowd, trying not to draw the attention on us (which is quite impossible, all of u being quite tall compared to the Malagassi…) Let’s get out of here!!
Only problem: We had to leave the party through the same entrance as where we got in. And off course, everybody who saw us get in was still outside, waiting for a chance to enter… When we walked out, people were pushing us, poking fingers at us and shouting ‘Vahaza, Vahaza!’ (which means ‘foreigner’ in Malagassi) We didn’t know how fast to get into a taxi and to Kudetat, the very posh loungebar at the Carlton hotel. At least here we where safe… ;-)
Next time we’ll be more careful, promise!
Vanilla Rhum
Before our journey to Africa began, we all had to take part in a training at the WFP headquarters in Rome. One of the topics concerned the security in your assignment country. Now Madagascar is considered quite a safe place to stay (only before and during the elections things sometimes tend to get a little tense) I didn’t really worry about getting myself into any dangerous situations. The last few days I definitely found out that you should always be on your guard though.
Thursday evening we were having dinner and drinks at the place of our newly made French friends (who we met at the first frisbee game and with whom we have been hanging out a lot since). Benoit is the one who rents the house in Ampahibe, one of the more fancy quartiers in the centre of Tana. Having finished his studies in France and a bit bored with life in Europe, he decided to take the plain and try his luck in Madagascar. After quite a disappointing first work experience in a guesthouse in Tana (the owners thought he was coming to work for free, he thought differently about it) he easily found a job in a big French company. The four others (all exchange students from Lyon) live with him because the house (or rather huge villa) is far too big for just one person to live in.
After spending a very comfortable evening with African music, French and English conversations and some South-African wine, we decided to go out (knowing that we had to get up for work at 7 the next day, but hey, we’re only here for six months!) ;-)
We squeezed six of us in Benoit’s small car, two others went by motorbike. (Kevin, another French guy that works for Telma (TelecomMadagascar) is the proud owner of a very cheap-looking Chinese motorbike, from the well-known and probably also very well-praised brand “Toyata”. (I’ve also seen some Yamazuki’s driving around here -no kidding!!).
When we arrived at the bar, they were already closing. Only the owner, one very drunk customer and some personnel were still there. Nevertheless they were very delighted to see some clientele: The lights were turned off, the music on and the party began. We had a great time, dancing on our bare feet to funny (mostly) French music (en een paar oldies jaren 80- nummers) ;-) and drinking vanilla rum, poored out of a big bottle with lots of fresh vanilla in it. The owner, a French guy around 50 years old, was obviously still living his younger years, trying to look very hip, with his long hair, wearing bleached and torn jeans, a leather jacket and all-stars. He also made the impression of being really drugged out, something which I could confirm when he started talking in quite a strange manner to me - and which he confirmed himself by taking a line of coke in between serving us drinks. I tried to avoid him the rest of the evening, so I wouldn’t risk getting tied up in any awkward conversations with him again. This didn’t seem to bother him too much though, offering us one after the other “tour generale”.
Although the others stayed, Laurentiu and I decided to go home at 3.30, it was really getting late. This afterwards turned out to be quite a good decision, regarding what happened after we left. Not much later after our departure -as our friends told us the day after- the owner suddenly freaked out and became quite aggressive. Some of the girls had said something he couldn’t appreciate and he started throwing glasses at them (?). (Good way to keep your customers I would say…)When our friends tried to leave, he ran after them and started pushing one of the girls around (an even better way to promote your bar!?!) Luckily, they managed to get out of the place, into the car and speeded off, leaving the yelling owner at the doorstep of his bar…
Thursday evening we were having dinner and drinks at the place of our newly made French friends (who we met at the first frisbee game and with whom we have been hanging out a lot since). Benoit is the one who rents the house in Ampahibe, one of the more fancy quartiers in the centre of Tana. Having finished his studies in France and a bit bored with life in Europe, he decided to take the plain and try his luck in Madagascar. After quite a disappointing first work experience in a guesthouse in Tana (the owners thought he was coming to work for free, he thought differently about it) he easily found a job in a big French company. The four others (all exchange students from Lyon) live with him because the house (or rather huge villa) is far too big for just one person to live in.
After spending a very comfortable evening with African music, French and English conversations and some South-African wine, we decided to go out (knowing that we had to get up for work at 7 the next day, but hey, we’re only here for six months!) ;-)
We squeezed six of us in Benoit’s small car, two others went by motorbike. (Kevin, another French guy that works for Telma (TelecomMadagascar) is the proud owner of a very cheap-looking Chinese motorbike, from the well-known and probably also very well-praised brand “Toyata”. (I’ve also seen some Yamazuki’s driving around here -no kidding!!).
When we arrived at the bar, they were already closing. Only the owner, one very drunk customer and some personnel were still there. Nevertheless they were very delighted to see some clientele: The lights were turned off, the music on and the party began. We had a great time, dancing on our bare feet to funny (mostly) French music (en een paar oldies jaren 80- nummers) ;-) and drinking vanilla rum, poored out of a big bottle with lots of fresh vanilla in it. The owner, a French guy around 50 years old, was obviously still living his younger years, trying to look very hip, with his long hair, wearing bleached and torn jeans, a leather jacket and all-stars. He also made the impression of being really drugged out, something which I could confirm when he started talking in quite a strange manner to me - and which he confirmed himself by taking a line of coke in between serving us drinks. I tried to avoid him the rest of the evening, so I wouldn’t risk getting tied up in any awkward conversations with him again. This didn’t seem to bother him too much though, offering us one after the other “tour generale”.
Although the others stayed, Laurentiu and I decided to go home at 3.30, it was really getting late. This afterwards turned out to be quite a good decision, regarding what happened after we left. Not much later after our departure -as our friends told us the day after- the owner suddenly freaked out and became quite aggressive. Some of the girls had said something he couldn’t appreciate and he started throwing glasses at them (?). (Good way to keep your customers I would say…)When our friends tried to leave, he ran after them and started pushing one of the girls around (an even better way to promote your bar!?!) Luckily, they managed to get out of the place, into the car and speeded off, leaving the yelling owner at the doorstep of his bar…
Good Morning Madagascar!

Een gemiddelde doordeweekse dag: Ik sta op om kwart voor zeven (nadat we al minstens twee uur eerder door ons persoonlijke alarmsysteem – de huishaan- zijn wakker gekraaid). Met een nog stijve nek van het harde matras begeef ik me naar de douche -huisbaas Lala heeft nieuwe matrassen gekocht, veel beter dan het ondefinieerbare, ingedeukte ding van foam dat eerst als matras diende, maar nog lang niet zo comfortabel als een matras van Europese makelij waar mijn tere Westerse nekje natuurlijk aan gewend is ;-) Ik neem een douche (hopelijk is er warm water vandaag!) en poets mijn tanden. Lala woont met zijn vrouw en twee kleine kinderen op de eerste verdieping van het huis en staan altijd (weekend of niet) om een uur of 6 naast hun bed. Ook de schoonmaker, de wasvrouw en nog wat huishoudelijke hulp denderen al sinds het kraaien van de haan de trap op en af. Ik hoef hier in ieder geval niet bang te zijn dat ik me verslaap :)
Ik open de ramen en luiken van mijn kamer en de eerste zonnestralen (en uitlaatgassen) vinden hun weg naar binnen. Met het opkomen van de zon veranderen de stille donkere straten van Tana in een drukke en rokerige wirwar van taxi-be’s, schoolgaande kinderen en de eerste straathandelaren. (Elektriciteit is voor de meeste Malagassi een luxegoed en men probeert dan ook zoveel mogelijk te doen voor het vallen van de avond. De vervallen eettentjes aan de kant van de straat die s avonds nog open zijn, verlichten hun koopwaar met een kaars- iets dat me altijd een beetje een sinterklaasgevoel geeft .
Na wat Tiko-yoghurt (een van de producten uit het Tiko-imperium van President Ravalomanana, alles hier komt van zijn bedrijf: yoghurt, melk, cola, mineraalwater. Hoe bedoel je monopolie...) begeef ik me naar buiten.
Ons wasvrouwtje (inclusief baby waar ze op past en die ze tijdens het wassen en schrobben van onze kleding in de tuin tussen de kippen plant) is al vanaf 5 uur paraat.

Wanneer ik s avonds thuis kom staat mijn schone kleding altijd keurig gestreken voor de deur van mijn kamer. Het enige dat me er af en toe aan doet herinneren dat mijn kleren niet met de machine maar met de hand gewassen zijn, zijn de achtergebleven restjes zeep die ik zo nu en dan nog achter een knoop van mijn broek vind.
Vandaag heeft het wasvrouwtje heeft het eerste deel van de was al te drogen gelegd op een van de rozenstruiken in de tuin. De baby zit rustig in het zonnetje met een oud vod te spelen. Ik zeg haar gedag (Veluma!) en doorkruis de tuin (niet over de grazende schilpad struikelen..)


Nog steeds kijken voorbijgangers verbaasd op als ik het trapje naast ons huis af kom wandelen (woont er hier een Vahaza?) Ik trek me er steeds minder van aan, want de buurt begint steeds meer als mijn thuis te voelen. De straatverkopers beginnen me trouwens al te herkennen (net als de dakloze vrouw die in de vuilnishoop aan de rand van de straat huist. Oppassen wanneer we ons afval weggooien, voor je het weet gooi je het op haar hoofd!).
De busstop is maar een paar honderd meter van ons huis verwijderd en ik hoef dus niet ver te lopen voor ik er ben. (Wat best prettig is, de straat zit vol gaten en ingezakte delen, oppassen dus als je slaapdronken net iets te enthousiast aan komt huppelen) In de ochtendzon wacht ik op de bus, terwijl ik me –zo onopvallend mogelijk- verbaas over de straattaferelen om me heen.
Taxi-be’s (oftewel minibusjes) rijden er genoeg in Tana. Tijdsschema’s zijn er des te minder. Gewoon wachten dus, tot er eentje voorbijkomt. Vooral de eerste week was dit een hele operatie: welke bus neem je als alle namen van alle wijken zoveel op elkaar lijken? Antanimena, Ankazatukana, Ambohidaji, Ambohijotovo...
Gelukkig hangt er een altijd een jongen uit elke bus die de eindbestemmingen (heel erg snel achter elkaar) opdreunt, heeeel handig. Als je niet snel genoeg beslist of het de goede bus is, is ie alweer weg. Vaak is het dus beter om maar gewoon op goed geluk in te stappen ;-)
Na een kort busritje -meestal half op iemand anders’ schoot- wring ik me over en langs de andere buspassagiers naar buiten. De bus die ik vandaag nam heette Titanic (zoals in kleurige lettes op de vooruit geschreven stond). Blijkbaar had ik het zinkende schip op tijd verlaten, want afgezien van de pruttelende motor en de deuren die er bijna uitvielen kwam ik zonder kleerscheuren op mijn bestemming aan.
Het WFP-kantoor ligt een stukje buiten het centrum en is omgeven door rijstvelden. Wanneer ik aankom (rond 8uur) zijn mijn Malagassische collega’s (Lala, Andry en Voni) altijd al aan het werk. Ook WFP-chauffeur Antoine is altijd al van de partij en vraagt me elke dag opnieuw of ik Tana geen prachtige stad vind. Natuurlijk antwoord ik altijd met ja, het is hier natuurlijk veeeeeel mooier en beter en leuker dan in Amsterdam ;-)

En... afgezien van de uitlaatgassen, de drukte en de regen en modder (ja, ook hier regent het!!!) kan ik zeggen dat ik me hier al erg thuis begin te voelen. Eerklijk gezegd denk ik dat ik over 6 maanden nog helemaal geen zin heb om terug naar Nederland te gaan.
Dus.... sorry pap, sorry mam, ik denk dat jullie me nog wat langer zullen moeten missen.... ;-)
maandag 29 september 2008
Frisbee, movies and mosquitos
Frisbee is one of the things foreigners and expats do to get some exercise and to get together. On a small field in the city centre everybody gathers for a game every Sunday. Afterwards there’s time for talk and drinks.
To us -still new to the Malagassi lifestyle- it seemed the perfect opportunity to meet some people, so we happily accepted the invitation of our German roommate Friedl to go and see what this frisbeeeing was all about.
After taking some stairs -and bus 166- we arrived at the court were the game had already begun. About 15 people sat in the shade and enjoyed the game, while the other half of the group was running around on the field, trying to score some points. In one hour we met around 30 new people (a mix of foreigners from all over the world, ‘spiced up’ with some locals).
After the game, and after sunset, a group of French students took us on a trip through Tana to show us some nice places. One of this places was the very European (or rather French) looking bar Sakamanga, where you can eat very European food (mostly pizza and paninis) for very European prices (compared to he normal Malgassi prices). Even though I liked the bar and found it nice to have a good (which means safe) meal after all the travelling and dragging around with our suitcases, I still couldn’t get my head around the fact that we were eating at this fancy French place, while the world outside of Sakamanga isn’t French or fancy or even safe at all: Especially at night the city is a dark, busy and –if you’re not used to it- scary place. Apparently even streetlights are a luxury product here, and the streets are really bad, so you have to watch closely where you’re walking. People suddenly appear from one of the many dark alleys, others are still trying to sell things from their little shacks at the side of the road, with only a candle to lighten their merchandise.
The hotel (also called Sakamanga and owned by the same French entrepreneur) where we concluded our evening out in Tana felt like an oasis after wandering around the busy streets outside: A nice courtyard with beautiful palmtrees, bamboo chairs and cane parasols made us forget about our first encounters with the dark city of Tana at night. We sat down, drank some wine and watched a French movie with some other (mostly French) hotelguests. The only thing that reminded us of the fact that we were still in Africa were the mosquitos that just wouldn’t leave us alone. They’re apparently the only ones that don’t care about the ‘borders’ between rich and poor, as long as there’s something to bite in ;-)
The City of a Thousand Stairs
Unlike the other GEP-teams we already managed to arrange for a house before even arriving in Tana. (Something I was already bragging about during our stay in Rome).
Tulika, one of last year’s GEP-pers put us into contact with the landlord and after exchanging quite a lot (and not really to-the-point) emails we got ourselves the house.
So, after waking up in guesthouse Jarivo -were driver Antoine dropped us of the night before- we moved to our new home.
I must say Laurentiu and I were a bit shocked by what we encountered there: Instead of having the whole floor for ourselves (like last year’s team), there were four more people living in the house now. (Even the livingroom was occupied by a girl that had turned the couch into a bed). Lala (the landlord) apparently saw some business in hosting foreign students and it was very obvious that he tried to put as much people in the house as possible for maximum profit.
Although this was still OK with us (we didn’t know anyone yet and it’s always fun to have some roommates) we got really worried when we tried out the beds: Instead of a normal (or at least a decen) matras, my bed was equipped with a foamy indefinable object that was totally indented in the middle. Didn’t really look like a proper bed to me! Although it was a bit of a disappointment at first, we quite easily put our worries aside and decided to go and explore Tana a little further.

Antananarivo lies at an altitude of 1300 metres above sea level, which makes taking a tour through Tana just a little bit different than walking around– for example- Amsterdam. Still back in Holland I was wondering whether it would be a good idea to bring my bike to Tana, or buy one here (I also had a bike during my stay in Paris and used it all the time). I can say I’m quite happy I didn’t: The city is build on very steep slopes and even on foot it sometimes takes you ages to get somewhere (especially for Dutchies like me who are really not used to a “hilly” environment). Besides that, Tana is one big network of lots and lots of little stairways, all connecting the few main roads. Unless you’re a pro-mountainbiker who’s looking for an adrenaline rush (or if like dragging your bike up and down all the time), a bike is not a very usefull asset in this city. (Next to all of this, you can be sure to get run over by a car in e few seconds- Malgassi drivers are not the most cautious and polite ones).
So, by taking these steps -by foot- you’ll discover a whole new side of Tana: Crisscrossing through people’s backyards you see daily life outside of the busy city centre, far away from all the polluting and honking cars. You pass by all sorts of little houses and gardens and see people that are busy doing the laundry, sweeping their doorstep or just enjoying the sun. Some greet you with a “manaona” or bonjour, others don’t even take notice when you pass by. It’s a wonderful way to relax a little and enjoy the Malagassi scenery.
Noro (our Jarivo guesthouse hostess) had told us earlier that Antananarivo means “city of thousand soldiers”, because Tana was the first city in the old days that had a thousand soldiers. I’d rather call it the city of a thousand stairs, which may be not so historically relevant, but describes the essence of daily life in Tana much better. And I don’t even miss my bike anymore!
Tulika, one of last year’s GEP-pers put us into contact with the landlord and after exchanging quite a lot (and not really to-the-point) emails we got ourselves the house.
So, after waking up in guesthouse Jarivo -were driver Antoine dropped us of the night before- we moved to our new home.
I must say Laurentiu and I were a bit shocked by what we encountered there: Instead of having the whole floor for ourselves (like last year’s team), there were four more people living in the house now. (Even the livingroom was occupied by a girl that had turned the couch into a bed). Lala (the landlord) apparently saw some business in hosting foreign students and it was very obvious that he tried to put as much people in the house as possible for maximum profit.
Although this was still OK with us (we didn’t know anyone yet and it’s always fun to have some roommates) we got really worried when we tried out the beds: Instead of a normal (or at least a decen) matras, my bed was equipped with a foamy indefinable object that was totally indented in the middle. Didn’t really look like a proper bed to me! Although it was a bit of a disappointment at first, we quite easily put our worries aside and decided to go and explore Tana a little further.

Antananarivo lies at an altitude of 1300 metres above sea level, which makes taking a tour through Tana just a little bit different than walking around– for example- Amsterdam. Still back in Holland I was wondering whether it would be a good idea to bring my bike to Tana, or buy one here (I also had a bike during my stay in Paris and used it all the time). I can say I’m quite happy I didn’t: The city is build on very steep slopes and even on foot it sometimes takes you ages to get somewhere (especially for Dutchies like me who are really not used to a “hilly” environment). Besides that, Tana is one big network of lots and lots of little stairways, all connecting the few main roads. Unless you’re a pro-mountainbiker who’s looking for an adrenaline rush (or if like dragging your bike up and down all the time), a bike is not a very usefull asset in this city. (Next to all of this, you can be sure to get run over by a car in e few seconds- Malgassi drivers are not the most cautious and polite ones).
So, by taking these steps -by foot- you’ll discover a whole new side of Tana: Crisscrossing through people’s backyards you see daily life outside of the busy city centre, far away from all the polluting and honking cars. You pass by all sorts of little houses and gardens and see people that are busy doing the laundry, sweeping their doorstep or just enjoying the sun. Some greet you with a “manaona” or bonjour, others don’t even take notice when you pass by. It’s a wonderful way to relax a little and enjoy the Malagassi scenery.
Noro (our Jarivo guesthouse hostess) had told us earlier that Antananarivo means “city of thousand soldiers”, because Tana was the first city in the old days that had a thousand soldiers. I’d rather call it the city of a thousand stairs, which may be not so historically relevant, but describes the essence of daily life in Tana much better. And I don’t even miss my bike anymore!
donderdag 25 september 2008
Finally: A Malagassi Phonenumber!!
Hi Everyone!
I thought it would be cut off from Europe for at least the rest of the week, but I finally managed to get myself a Malagassi phonenumber!
So, here it is!
+261326130401
Stories about my stay in Tana follow, but I'm already quite busy at the office (and don't have internet at home)
Got much to tell though, so I'll keep you posted! ;-)
I thought it would be cut off from Europe for at least the rest of the week, but I finally managed to get myself a Malagassi phonenumber!
So, here it is!
+261326130401
Stories about my stay in Tana follow, but I'm already quite busy at the office (and don't have internet at home)
Got much to tell though, so I'll keep you posted! ;-)
dinsdag 23 september 2008
Bienvenu en Afrique!
After a very interesting 2-day training at the WFP head office in Rome and a - just as interesting- stay in the citycentre of Rome we finally arrived at our destination: Antananarivo, Madagascar. I was kind of tired from the partying in the hotel the night before (we had to get op at 5 to go to the airport, but got 'stuck' the night before on a birthdayparty of an Italian girl that turned 18). You can imagine that I couldn't wait to get to bed as quickly as possible ;-)
Lucky as we are, everything was arranged for very well. We didn't only have one, but two people to pick us up from the airport. The second person turned out to be the WFP driver -named Antoine- and he took us to a guesthouse for the first night. Driving through the city of Tana, we couldn't see much yet, it was around ten 'o clock and the sun sets around 6 in the evening.
Nevertheless, we felt that we entered a whole new world and that this was the beginning of a big adventure...
Next update coming up! ;-)
Abonneren op:
Posts (Atom)