maandag 20 oktober 2008

Een paar foto's...

Huisje middenin de stad


Zaza!


Een stukje verderop in mijn straat


De Hoge Raad in Madagascar


WFP! of PAM? Of nee, WFP!

vrijdag 17 oktober 2008

Taxi!

De taxi nemen in Tana blijft grappig. Ik weet nog goed dat we in de eerste week van ons verblijf na een avondje Sakamanga een taxi in wilden stappen en Laurentiu de halve deur eruit trok toen hij deze heel charmant voor me wilde openen. De taxichauffeur vond het heel normaal, trok de deur verder zijn voegen en plaatste hem naast ons op de achterbank. Alsof het de achteruitkijkspiegel was die van zijn auto was gevallen.
Iets dat me mogelijk nog meer verbaasde, is dat het merendeel van de chauffeurs geen gebruik van de benzinetank. Veel chauffeurs huren hun auto namelijk per dag, en wat te doen als je de auto weer in moet leveren en er zit nog benzine in de tank? Dan neem je gewoon een lege colafles, verbindt deze met een slangetje aan de motor en plaatst deze in het ‘vooronder’ van de passagiersstoel. Zééér inventief!
Een bijkomend voordeel van deze methode is dat de colafles erg snel leegraakt en de taxichauffeur –naar mijn idee vooral wanneer er Vahaza in zijn auto zitten- altijd alvast een voorschot op de prijs van de rit nodig heeft om te tanken. (Oftwel de fles bij te vullen, misschien is ‘tanken’ hier niet de juiste benaming).Altijd oppassen dus dat je niet het hele bedrag betaalt, anders loop je het gevaar dat de chauffeur na het tanken toch een paar duizend ariary meer wil om je naar je bestemming te brengen.
Ik begin het onderhandelen al goed in de vingers te krijgen. Nadat Laurentiu en ik de eerste dag in Tana een belachelijke prijs van 10.000 ariary (beginnersfout- we hadden van tevoren geen prijs afgesproken) voor een ritje van twee minuten betaald hadden, besloot ik mijn onderhandelingstalenten maar eens flink bij te schaven.
En dat begint aardig te lukken. Zo gaat bijna elk ritje volgens de chauffeurs berg op, en is dus duurder dan normaal (“Non! non! ça monte, c’est pour ça que ca coute plus cher!”) Volgens mij betekent dat echter ook, dat als je bergaf gaat, het goedkoper is, toch? Dus zeg ik voortaan, wanneer ik ergens heen wil, dat het bergaf is- en dus goedkoper, haha! Geen taxichauffeur zet me meer af tegenwoordig! 
Het is in Tana trouwens ook slim om, wanneer je bergop loopt (op een eenrichtingsweg), de weg te nemen die afdaalt. Dit in verband met de vervuiling. Iedereen zet namelijk, om brandstof te besparen, zijn motor uit wanneer hij naar beneden rijdt. (Wat ook betekent dat niemand op zijn motor remt, maar alleen met de remmen –of iets wat door moet gaan als een rem. Ik heb al heel wat auto’s de berm (of een huis) in zien crossen).
Wel moet ik toegeven dat Kameroen nog steeds de lijst aanvoert qua het aantal personen dat in een taxi past. Daar zat ik, drie jaar geleden, met niet minder dan 11 mensen in een taxi-clando (waaronder een aantal kinderen, maar toch). In Tana is de stand tot nu toe 7 (exclusief de chauffeur).
Hmmm, misschien valt daar de volgende keer nog over te onderhandelen ;-)

dinsdag 14 oktober 2008

School Feeding

De meeste mensen denken bij Madagaskar aan de unieke flora (boababs) en fauna (lemuren) waar het land bekend om staat. Het clichebeeld van ondervoede Afrikaanse kinderen met opgeblazen buikjes is niet iets waar het op-drie-na-grootste-eiland-ter-wereld snel mee geassocieerd wordt. Toch leeft 74% van de Malagassi onder de armoedegrens, wat betekent dat meer dan de helft van de bevolking rond moet komen van minder dan twee dollar per dag. En zijn ondervoede kinderen dus ook hier geen zeldzaamheid.
De afgelopen jaren is de situatie steeds nijpender geworden: Door de opkomst van de midden- en bovenklasse in ‘vroegere ontwikkelingslanden’ als landen als China, India en Rusland is de voedsel- (en vooral vlees-)consumptie enorm gestegen. Wanneer mensen meer te besteden hebben, wordt er nu eenmaal meer gegeten. Ook zorgt de opkomst van biobrandstoffen ervoor dat de graan- en maismarkt erg krap is geworden. Samen met de stijging van de olieprijzen en de steeds extremere weersomstandigheden waardoor boeren van hun oogst beroofd worden is er sprake van een ‘hausse de prix alimentaires’ oftwel een enorme prijsstijging van landbouwproducten als rijst, graan, mais en soja.
Juist de mensen die al onder de armoedegrens leven zijn hier de dupe van, nu zij zo’n 70% (in Nederland is dit slechts zo’n 15%) van hun inkomsten aan voedsel spenderen en dus geen speling in hun bestedingsruimte hebben. Voor hen is niet alleen de benzine wat duurder geworden, ze kunnen simpelweg niet meer eten. De regering heeft de export van rijst al tijdelijk aan banden gelegd, maar er is nog steeds een voedseltekort. (Al las ik dat de hypotheekcrisis er weer voor zal zorgen dat de prijzen weer zullen dalen en mensen dus weer meer te eten zullen hebben, ik als economisch ‘wonder’ ;-) dit is cynisch bedoeld- weet echter niet of dit van invloed zal zijn). Hoe dan ook, met de ‘securite alimentaire’, oftewel voedselzekerheid, is het in Madagaskar niet best gesteld.
Het WFP is de grootste humanitaire organisatie ter wereld die voedsel verstrekt waar dit nodig is. Zo ook in Madagaskar. Behalve noodhulp in rampgebieden (elk jaar razen er wel een aantal verwoestende cyclonen door het land, mensen zonder huis en boeren zonder land achterlatend) biedt het WFP ook voedselhulp om ontwikkeling mogelijk te maken. En dit is precies waar School Feeding – de afdeling waar ik voor werk- om draait.
In de armste gebieden van Madagaskar (in de kurkdroge en door sprinkhanen geteisterde zuidelijke provincies Toliary, Ambovombe en Amboasary) heeft het WFP in samenwerking met het Ministerie van Onderwijs schoolkantines geopend. Kinderen krijgen elke dag een maaltijd, om zo het aantal drop-outs naar beneden te brengen en ervoor te zorgen dat de leerlingen zich kunnen concentreren op de les en daadwerkelijk in staat zijn wat kennis op te doen (wat niet gaat met een lege maag). Verder krijgen ze een take-home ration, een pakketje voedsel om mee naar huis te nemen. Dit is een stimulans voor de ouders om hun kind naar school te sturen in plaats van het thuis te houden om te werken.

De Malagassische overheid heeft dit jaar een groot bedrag beschikbaar gesteld om het aantal schoolkantines in het Zuiden uit te breiden van 200 naar meer dan 800 kantines. Genoeg werk aan de winkel dus! Het WFP zorgt samen met het Ministerie voor de inkoop en verspreiding van het voedsel en de algemene planning en controle. De kantines zelf worden gerund door de lokale gemeenschap, die zelf een bestuur moeten vormen dat verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken. Dit lokale bestuur wordt weer door het WFP ondersteunt met Conseiller Animateurs (oftewel Food Aid Monitors). (Erg vervelend trouwens al die dubbele namen en afkortingen, waarom wordt er niet gewoon een ‘universele’ taal aangehouden?! Zo is WFP in het Frans PAM, UNDP is PNUD, om van de meer ingewikkelde afkortingen maar niet te spreken...) Maar goed, de Conseiller Animateurs reizen langs alle scholen om de ontwikkelingen in de gaten te houden.
De mensen ‘in charge’ op de scholen zelf zijn de president van de lokale gemeenschap, de magasiniers en de cantinieres (de vrouwen die het eten bereiden). And that is where I come in: Ik ga voor deze kleine, maar belangrijke groep mensen handleidingen ontwikkelen aan de hand waarvan ze hun taken goed uit kunnen voeren. Zo zijn de magasiniers verantwoordelijk voor het afmeten van de hoeveelheden rijst, bonen en olie (waaruit elk maaltijd bestaat), maar ook voor het controleren van de hoeveelheid voedsel die binnenkomt. Soms willen chauffeurs nog wel eens wat achterhouden, dus het is heel belangrijk dat de magasiniers een systeem hebben om dit in de gaten te houden. Verder is het voor de cantinieres belangrijk te weten hoe ze het voedsel precies moeten bereiden (haricots moeten bijvoorbeeld een nacht van tevoren worden geweekt, om zo brandhout te besparen. Ja, er wordt ook aan het milieu gedacht!) Ook is het belangrijk dat de cuinieres alle hygienevoorschriften in acht nemen (ook al betekent dat in dit geval simpelweg dat ze hun handen moeten wassen voordat ze het eten bereiden, wat de ernst van de situatie wel redelijk weergeeft...)
Op het moment ben ik de eerste draft aan het opstellen, om in november drie weken naar het Zuiden te vertrekken. Daar, in Ambovombe, ga ik mijn eerste opzet ‘testen’ in de schoolkantines zelf. Om vervolgens naar Tana terug te keren om er de laatste hand aan te leggen. Daarna zal de handleiding (voor de cuisinieres in postervorm, voor de magasiniers en leraren waarschijnlijk in foldervorm) gedrukt worden en verspreid worden over de meer dan 800 scholen. Dat is heel wat interessanter dan 6 maanden koffie zetten en kopieren!  En het leuke is dat ik helemaal vrij ben om er zelf van te maken wat ik wil. En dus al mijn ideeen uit kan werken.
Sandrine (de vrouw van Nicolas, mijn leidinggevende) werkt voor UNICEF en heeft me al een aantal ‘tools’ gestuurd aan de hand waarvan ik een strategie op kan stellen. (Erg grappig trouwens, van bijna alle expats die voor het WFP werken werkt hun wederhelft voor UNICEF, zo ook het koppel Nicolas-Sandrine). Verder heb ik vel contact met Anna (een Finse die sinds januari in Ambovombe werkt) en Zo (uit Tuliar) om informatie uit het veld in te winnen. Afgelopen weekend hadden we een workshop met alle WFP-ers en heb ik iedereen ontmoet. Ik zal in het Zuiden vooral met Anna gaan werken. We zullen samen een groot aantal scholen bezoeken en kijken wat de problemen zijn waar nog aan gewerkt kan worden. Ik ben zo benieuwd hoe het daar zal zijn...
Ohja, en op vrijdagen werken we maar tot 14.00 uur. Dus ik zal ook in Ambovombe veel tijd hebben de omgeving te verkennen. I love my job!!! :-D

maandag 13 oktober 2008

Vahaza!

Saturday evening (the 4th of October) my ‘common sense’ was tested again. The fourth of October is the day of the German reunification and THB (a well-known beer producer in Madagascar) organized a Malagassi version of the Oktoberfest to celebrate this joyful occasion. My roomie Friedl was so excited about the Oktoberfest (he’s German) that we just had to join him to the Stade de Mahamasina.
After some negotiating with the taxidriver we fixed a good price, hopped on and arrived at the Stade. Laurentiu and I already saw that it might not be such a good idea to go to the Oktoberfest: There was a long queue of people waiting to get in and the less patient party-candidates were forcing themselves a way through the mass of people in front of the main entrance, pushing and pulling each other a way in.
After some convincing arguments coming from Laurentiu’s and my side, we convinced Friedl to leave the place and go somewhere else. Wouldn’t it be that we ran into our French friends that wanted to give it a go too. We decided to set aside our uneasy feeling about the whole thing. Why not give it a try?
Now the main entrance was not an option, being a big chaos of too much people trying to squeeze themselves in through the little entrance, we- or rather Friedl- decided to try the VIP-entrance. He figured that he, being German and knowing lots of people from the German embassy, could definitely get us in. While he was busy convincing the guards to let us enter, I suddenly felt that one of the guys standing next to me was trying to slip his hand into one of my pockets. Although I didn’t bring anything of much value, I felt really, really uncomfortable with the whole situation, standing in the middle of this big crowd, not able to move left or right, and off course drawing attention to ourselves by (I hate to say it) looking European.
Finally the guards let the six of us in. I was very glad I could leave the crowd, but couldn’t suppress the feeling that I was doing something I’m really against: Getting things done just because you’re white. I couldn’t blame the people that had to stay outside for the disapproving looks they gave us when we passed them by. (One of the guys pretended to belong to our group and tried to sneak in with us, but off course the guards saw he didn’t belong to our group and he got pushed back into the crowd, how embarrassing….)
After entering the gate, we finally felt ourselves to be on ‘safe ground’ again. Wasn’t it for the guard that sneaked us in: he wanted some money for his services. (Off course… we should have known…) Another 10 minutes of discussing and negotiating later we were finally free to go and check out the party.
The chaos inside turned out to be even worse then the one we just left outside: Drunk people everywhere, drifting about fires on the ground and looking at us as if we were some attraction. Why did we even try to get in?!?! It was very clear that the Oktoberfest was not meant to be for us…
All of us felt really unsafe and we didn’t know what else to do than just staying where we were, in the middle of the big crowd, trying not to draw the attention on us (which is quite impossible, all of u being quite tall compared to the Malagassi…) Let’s get out of here!!
Only problem: We had to leave the party through the same entrance as where we got in. And off course, everybody who saw us get in was still outside, waiting for a chance to enter… When we walked out, people were pushing us, poking fingers at us and shouting ‘Vahaza, Vahaza!’ (which means ‘foreigner’ in Malagassi) We didn’t know how fast to get into a taxi and to Kudetat, the very posh loungebar at the Carlton hotel. At least here we where safe… ;-)
Next time we’ll be more careful, promise!

Vanilla Rhum

Before our journey to Africa began, we all had to take part in a training at the WFP headquarters in Rome. One of the topics concerned the security in your assignment country. Now Madagascar is considered quite a safe place to stay (only before and during the elections things sometimes tend to get a little tense) I didn’t really worry about getting myself into any dangerous situations. The last few days I definitely found out that you should always be on your guard though.
Thursday evening we were having dinner and drinks at the place of our newly made French friends (who we met at the first frisbee game and with whom we have been hanging out a lot since). Benoit is the one who rents the house in Ampahibe, one of the more fancy quartiers in the centre of Tana. Having finished his studies in France and a bit bored with life in Europe, he decided to take the plain and try his luck in Madagascar. After quite a disappointing first work experience in a guesthouse in Tana (the owners thought he was coming to work for free, he thought differently about it) he easily found a job in a big French company. The four others (all exchange students from Lyon) live with him because the house (or rather huge villa) is far too big for just one person to live in.
After spending a very comfortable evening with African music, French and English conversations and some South-African wine, we decided to go out (knowing that we had to get up for work at 7 the next day, but hey, we’re only here for six months!) ;-)
We squeezed six of us in Benoit’s small car, two others went by motorbike. (Kevin, another French guy that works for Telma (TelecomMadagascar) is the proud owner of a very cheap-looking Chinese motorbike, from the well-known and probably also very well-praised brand “Toyata”. (I’ve also seen some Yamazuki’s driving around here -no kidding!!).
When we arrived at the bar, they were already closing. Only the owner, one very drunk customer and some personnel were still there. Nevertheless they were very delighted to see some clientele: The lights were turned off, the music on and the party began. We had a great time, dancing on our bare feet to funny (mostly) French music (en een paar oldies jaren 80- nummers) ;-) and drinking vanilla rum, poored out of a big bottle with lots of fresh vanilla in it. The owner, a French guy around 50 years old, was obviously still living his younger years, trying to look very hip, with his long hair, wearing bleached and torn jeans, a leather jacket and all-stars. He also made the impression of being really drugged out, something which I could confirm when he started talking in quite a strange manner to me - and which he confirmed himself by taking a line of coke in between serving us drinks. I tried to avoid him the rest of the evening, so I wouldn’t risk getting tied up in any awkward conversations with him again. This didn’t seem to bother him too much though, offering us one after the other “tour generale”.
Although the others stayed, Laurentiu and I decided to go home at 3.30, it was really getting late. This afterwards turned out to be quite a good decision, regarding what happened after we left. Not much later after our departure -as our friends told us the day after- the owner suddenly freaked out and became quite aggressive. Some of the girls had said something he couldn’t appreciate and he started throwing glasses at them (?). (Good way to keep your customers I would say…)When our friends tried to leave, he ran after them and started pushing one of the girls around (an even better way to promote your bar!?!) Luckily, they managed to get out of the place, into the car and speeded off, leaving the yelling owner at the doorstep of his bar…

Good Morning Madagascar!


Een gemiddelde doordeweekse dag: Ik sta op om kwart voor zeven (nadat we al minstens twee uur eerder door ons persoonlijke alarmsysteem – de huishaan- zijn wakker gekraaid). Met een nog stijve nek van het harde matras begeef ik me naar de douche -huisbaas Lala heeft nieuwe matrassen gekocht, veel beter dan het ondefinieerbare, ingedeukte ding van foam dat eerst als matras diende, maar nog lang niet zo comfortabel als een matras van Europese makelij waar mijn tere Westerse nekje natuurlijk aan gewend is ;-) Ik neem een douche (hopelijk is er warm water vandaag!) en poets mijn tanden. Lala woont met zijn vrouw en twee kleine kinderen op de eerste verdieping van het huis en staan altijd (weekend of niet) om een uur of 6 naast hun bed. Ook de schoonmaker, de wasvrouw en nog wat huishoudelijke hulp denderen al sinds het kraaien van de haan de trap op en af. Ik hoef hier in ieder geval niet bang te zijn dat ik me verslaap :)
Ik open de ramen en luiken van mijn kamer en de eerste zonnestralen (en uitlaatgassen) vinden hun weg naar binnen. Met het opkomen van de zon veranderen de stille donkere straten van Tana in een drukke en rokerige wirwar van taxi-be’s, schoolgaande kinderen en de eerste straathandelaren. (Elektriciteit is voor de meeste Malagassi een luxegoed en men probeert dan ook zoveel mogelijk te doen voor het vallen van de avond. De vervallen eettentjes aan de kant van de straat die s avonds nog open zijn, verlichten hun koopwaar met een kaars- iets dat me altijd een beetje een sinterklaasgevoel geeft .
Na wat Tiko-yoghurt (een van de producten uit het Tiko-imperium van President Ravalomanana, alles hier komt van zijn bedrijf: yoghurt, melk, cola, mineraalwater. Hoe bedoel je monopolie...) begeef ik me naar buiten.
Ons wasvrouwtje (inclusief baby waar ze op past en die ze tijdens het wassen en schrobben van onze kleding in de tuin tussen de kippen plant) is al vanaf 5 uur paraat.

Wanneer ik s avonds thuis kom staat mijn schone kleding altijd keurig gestreken voor de deur van mijn kamer. Het enige dat me er af en toe aan doet herinneren dat mijn kleren niet met de machine maar met de hand gewassen zijn, zijn de achtergebleven restjes zeep die ik zo nu en dan nog achter een knoop van mijn broek vind.
Vandaag heeft het wasvrouwtje heeft het eerste deel van de was al te drogen gelegd op een van de rozenstruiken in de tuin. De baby zit rustig in het zonnetje met een oud vod te spelen. Ik zeg haar gedag (Veluma!) en doorkruis de tuin (niet over de grazende schilpad struikelen..)



Nog steeds kijken voorbijgangers verbaasd op als ik het trapje naast ons huis af kom wandelen (woont er hier een Vahaza?) Ik trek me er steeds minder van aan, want de buurt begint steeds meer als mijn thuis te voelen. De straatverkopers beginnen me trouwens al te herkennen (net als de dakloze vrouw die in de vuilnishoop aan de rand van de straat huist. Oppassen wanneer we ons afval weggooien, voor je het weet gooi je het op haar hoofd!).
De busstop is maar een paar honderd meter van ons huis verwijderd en ik hoef dus niet ver te lopen voor ik er ben. (Wat best prettig is, de straat zit vol gaten en ingezakte delen, oppassen dus als je slaapdronken net iets te enthousiast aan komt huppelen) In de ochtendzon wacht ik op de bus, terwijl ik me –zo onopvallend mogelijk- verbaas over de straattaferelen om me heen.
Taxi-be’s (oftewel minibusjes) rijden er genoeg in Tana. Tijdsschema’s zijn er des te minder. Gewoon wachten dus, tot er eentje voorbijkomt. Vooral de eerste week was dit een hele operatie: welke bus neem je als alle namen van alle wijken zoveel op elkaar lijken? Antanimena, Ankazatukana, Ambohidaji, Ambohijotovo...
Gelukkig hangt er een altijd een jongen uit elke bus die de eindbestemmingen (heel erg snel achter elkaar) opdreunt, heeeel handig. Als je niet snel genoeg beslist of het de goede bus is, is ie alweer weg. Vaak is het dus beter om maar gewoon op goed geluk in te stappen ;-)
Na een kort busritje -meestal half op iemand anders’ schoot- wring ik me over en langs de andere buspassagiers naar buiten. De bus die ik vandaag nam heette Titanic (zoals in kleurige lettes op de vooruit geschreven stond). Blijkbaar had ik het zinkende schip op tijd verlaten, want afgezien van de pruttelende motor en de deuren die er bijna uitvielen kwam ik zonder kleerscheuren op mijn bestemming aan.
Het WFP-kantoor ligt een stukje buiten het centrum en is omgeven door rijstvelden. Wanneer ik aankom (rond 8uur) zijn mijn Malagassische collega’s (Lala, Andry en Voni) altijd al aan het werk. Ook WFP-chauffeur Antoine is altijd al van de partij en vraagt me elke dag opnieuw of ik Tana geen prachtige stad vind. Natuurlijk antwoord ik altijd met ja, het is hier natuurlijk veeeeeel mooier en beter en leuker dan in Amsterdam ;-)

En... afgezien van de uitlaatgassen, de drukte en de regen en modder (ja, ook hier regent het!!!) kan ik zeggen dat ik me hier al erg thuis begin te voelen. Eerklijk gezegd denk ik dat ik over 6 maanden nog helemaal geen zin heb om terug naar Nederland te gaan.
Dus.... sorry pap, sorry mam, ik denk dat jullie me nog wat langer zullen moeten missen.... ;-)