
Een gemiddelde doordeweekse dag: Ik sta op om kwart voor zeven (nadat we al minstens twee uur eerder door ons persoonlijke alarmsysteem – de huishaan- zijn wakker gekraaid). Met een nog stijve nek van het harde matras begeef ik me naar de douche -huisbaas Lala heeft nieuwe matrassen gekocht, veel beter dan het ondefinieerbare, ingedeukte ding van foam dat eerst als matras diende, maar nog lang niet zo comfortabel als een matras van Europese makelij waar mijn tere Westerse nekje natuurlijk aan gewend is ;-) Ik neem een douche (hopelijk is er warm water vandaag!) en poets mijn tanden. Lala woont met zijn vrouw en twee kleine kinderen op de eerste verdieping van het huis en staan altijd (weekend of niet) om een uur of 6 naast hun bed. Ook de schoonmaker, de wasvrouw en nog wat huishoudelijke hulp denderen al sinds het kraaien van de haan de trap op en af. Ik hoef hier in ieder geval niet bang te zijn dat ik me verslaap :)
Ik open de ramen en luiken van mijn kamer en de eerste zonnestralen (en uitlaatgassen) vinden hun weg naar binnen. Met het opkomen van de zon veranderen de stille donkere straten van Tana in een drukke en rokerige wirwar van taxi-be’s, schoolgaande kinderen en de eerste straathandelaren. (Elektriciteit is voor de meeste Malagassi een luxegoed en men probeert dan ook zoveel mogelijk te doen voor het vallen van de avond. De vervallen eettentjes aan de kant van de straat die s avonds nog open zijn, verlichten hun koopwaar met een kaars- iets dat me altijd een beetje een sinterklaasgevoel geeft .
Na wat Tiko-yoghurt (een van de producten uit het Tiko-imperium van President Ravalomanana, alles hier komt van zijn bedrijf: yoghurt, melk, cola, mineraalwater. Hoe bedoel je monopolie...) begeef ik me naar buiten.
Ons wasvrouwtje (inclusief baby waar ze op past en die ze tijdens het wassen en schrobben van onze kleding in de tuin tussen de kippen plant) is al vanaf 5 uur paraat.

Wanneer ik s avonds thuis kom staat mijn schone kleding altijd keurig gestreken voor de deur van mijn kamer. Het enige dat me er af en toe aan doet herinneren dat mijn kleren niet met de machine maar met de hand gewassen zijn, zijn de achtergebleven restjes zeep die ik zo nu en dan nog achter een knoop van mijn broek vind.
Vandaag heeft het wasvrouwtje heeft het eerste deel van de was al te drogen gelegd op een van de rozenstruiken in de tuin. De baby zit rustig in het zonnetje met een oud vod te spelen. Ik zeg haar gedag (Veluma!) en doorkruis de tuin (niet over de grazende schilpad struikelen..)


Nog steeds kijken voorbijgangers verbaasd op als ik het trapje naast ons huis af kom wandelen (woont er hier een Vahaza?) Ik trek me er steeds minder van aan, want de buurt begint steeds meer als mijn thuis te voelen. De straatverkopers beginnen me trouwens al te herkennen (net als de dakloze vrouw die in de vuilnishoop aan de rand van de straat huist. Oppassen wanneer we ons afval weggooien, voor je het weet gooi je het op haar hoofd!).
De busstop is maar een paar honderd meter van ons huis verwijderd en ik hoef dus niet ver te lopen voor ik er ben. (Wat best prettig is, de straat zit vol gaten en ingezakte delen, oppassen dus als je slaapdronken net iets te enthousiast aan komt huppelen) In de ochtendzon wacht ik op de bus, terwijl ik me –zo onopvallend mogelijk- verbaas over de straattaferelen om me heen.
Taxi-be’s (oftewel minibusjes) rijden er genoeg in Tana. Tijdsschema’s zijn er des te minder. Gewoon wachten dus, tot er eentje voorbijkomt. Vooral de eerste week was dit een hele operatie: welke bus neem je als alle namen van alle wijken zoveel op elkaar lijken? Antanimena, Ankazatukana, Ambohidaji, Ambohijotovo...
Gelukkig hangt er een altijd een jongen uit elke bus die de eindbestemmingen (heel erg snel achter elkaar) opdreunt, heeeel handig. Als je niet snel genoeg beslist of het de goede bus is, is ie alweer weg. Vaak is het dus beter om maar gewoon op goed geluk in te stappen ;-)
Na een kort busritje -meestal half op iemand anders’ schoot- wring ik me over en langs de andere buspassagiers naar buiten. De bus die ik vandaag nam heette Titanic (zoals in kleurige lettes op de vooruit geschreven stond). Blijkbaar had ik het zinkende schip op tijd verlaten, want afgezien van de pruttelende motor en de deuren die er bijna uitvielen kwam ik zonder kleerscheuren op mijn bestemming aan.
Het WFP-kantoor ligt een stukje buiten het centrum en is omgeven door rijstvelden. Wanneer ik aankom (rond 8uur) zijn mijn Malagassische collega’s (Lala, Andry en Voni) altijd al aan het werk. Ook WFP-chauffeur Antoine is altijd al van de partij en vraagt me elke dag opnieuw of ik Tana geen prachtige stad vind. Natuurlijk antwoord ik altijd met ja, het is hier natuurlijk veeeeeel mooier en beter en leuker dan in Amsterdam ;-)

En... afgezien van de uitlaatgassen, de drukte en de regen en modder (ja, ook hier regent het!!!) kan ik zeggen dat ik me hier al erg thuis begin te voelen. Eerklijk gezegd denk ik dat ik over 6 maanden nog helemaal geen zin heb om terug naar Nederland te gaan.
Dus.... sorry pap, sorry mam, ik denk dat jullie me nog wat langer zullen moeten missen.... ;-)